
Hillary’s stem werd streng. ‘Science fiction is even onbeduidend als alle andere kunstvormen die verschijnselen behandelen in plaats van mensen. Dat zou jij moeten weten, Dai. Zijn de Welsh niet warm van hart?’
‘Koud als vissen,’ antwoordde de dichter trots. ‘Koud als de maan zelf, die een veel grotere invloed op het leven heeft dan jullie sentimentele, heiligschennende, kroegmaffende, mensheidverdwaasde, gedegenereerde Saxo-Noormannen ooit zullen beseffen.’ Hij duidde het Krachtstation met een armzwaai aan. ‘Kracht van Mona!’
‘David!’ barstte de romanschrijver uit. ‘Je weet heel goed dat dit getijdenstation een stuk speelgoed is dat alleen is bedoeld om mensen zoals ik te paaien die tegen atoomkracht zijn omdat die als wapen kan worden gebruikt. En noem de maan alsjeblieft niet Mona — dat is volksetymologie. Mona is een eiland in Wales, als je wilt — Anglesey — maar geen Welsh planeet!’
Dai haalde zijn schouders op, tuurde westwaarts naar de vage, wegzakkende maanbol. ‘Voor mij klinkt Mona goed en dat is het enige dat telt. Alle cultuur is alleen om de mensheid te paaien die nog in de kinderschoenen staat. En in ieder geval,’ voegde hij er spottend aan toe, ‘zijn er mensen op de maan.’
‘Ja,’ gaf Hillary koud toe, ‘vier Amerikanen en een onbepaald maar klein aantal Russen. We hadden de armoede en het lijden van de mensen moeten genezen voor we miljarden aan de ruimte verkwistten.’
‘Toch zijn er mensen op Mona, op weg naar de sterren.’
‘Vier Amerikanen. Ik heb meer ontzag voor die Wolf Loner die vorige maand in zijn vlet uit Bristol is vertrokken. Hij heeft tenminste niet de rijkdom van de wereld op het spel gezet voor zijn avontuurlijke gril.’
Dai grinnikte, zonder zijn blik van het westen af te wenden.
‘Vervloekt zij die Loner, dat Yankee anachronisme. Hij is hoogstwaarschijnlijk al verdronken en tot visvoer geworden. Maar de Amerikanen schrijven goeie essef en maken maanschepen die bijna zo goed zijn als de Russische. Welterusten, Mona-bach! Kom terug met je gezicht vuil of schoon, maar kom terug.’
