
‘Gooi die appel nou op,’ spoorde Alleras hem nogmaals aan. ‘Tenzij je van plan bent hem op te vreten.’
‘Hier.’ Met zijn horrelvoet achter zich aan slepend nam Mollander een kort sprongetje, wentelde om zijn as en zwiepte de appel zijwaarts de nevels boven de Honingweijn in. Als hij die voet niet had gehad, zou hij ridder zijn geworden, net als zijn vader. Die stevige armen en brede schouders van hem waren er sterk genoeg voor. De appel was al heel snel een heel eind weg…
…maar niet zo snel als de pijl die er achteraan floot, een houten schacht van één pas lang met scharlakenrode veren. Koppie zag niet hoe de pijl de appel trof, maar hij hoorde het wel. Een zacht plofje, gevolgd door een plons, kwam over het water.
Mollander floot. ‘Door het klokhuis. Mooi.’
Niet half zo mooi als Roosje. Koppie was dol op haar hazelbruine ogen en ontluikende borstjes, en op de manier waarop ze hem toelachte, telkens als ze hem zag. Hij was dol op de kuiltjes in haar wangen. Soms liep ze bij het bedienen op blote voeten om het gras onder haar voeten te voelen. Daar was hij ook dol op. Hij was dol op haar schone, frisse geur, en op de manier waarop het haar achter haar oren krulde. Hij was zelfs dol op haar tenen. Op een nacht zou ze hem haar voeten laten aaien en hem ermee laten spelen, en hij had voor iedere teen een grappig verhaaltje verzonnen om te zorgen dat ze zou blijven giechelen.
Misschien kon hij beter aan deze kant van de zee-engte blijven. Voor het geld dat hij had opgespaard kon hij een ezel kopen, en hij en Roosje konden daar dan om beurten op rijden op hun zwerftocht door Westeros. Ebroos mocht dan misschien vinden dat hij dat zilver niet waard was, maar Koppie wist een bot te zetten en koorts met bloedzuigers te bestrijden. Het gewone volk zou blij zijn met zijn hulp. Als hij haar kon leren knippen en baarden scheren, kon hij misschien zelfs barbier worden. Dat zou genoeg zijn, zei hij bij zichzelf, zolang ik Roosje maar had. Het enige wat hij in deze wereld wilde, was Roosje.
