“Maar ik dwaal af. Toen ik mijn vuren had aangelegd keken er heel wat toe, maar ze leken er niets van te snappen. Ik stak ze aan en daar had je de grootste menigte verbaasde mensen die je je denken kunt. Ze wisten niets van vuur af. Ik denk dat er daarom zoveel brandhout bij de rots lag.

“Tegen de tijd dat alles brandde, regende het natuurlijk en het was mal om ze te zien. Ze leken vreselijk bang om buiten hun holen in de regen te zijn en wilden toch de aanblik van de vuren niet missen. Ze scharrelden maar heen en weer, maar geleidelijk verdwenen ze naar hun hol. Na een tijdje waren ze allemaal weg, hoewel sommige lang bleven om te zien wat het vuur met de regen deed.

“Ik merkte niets meer van ze in de rest van de nacht. Het water langs de rotswand kwam niet hoog en ze kwamen ’s morgens naar buiten zodra het gedroogd was.

“Van de rest kan ik een lang verhaal maken, maar dat moet wachten. Ik leerde vrij goed met ze praten — de manier waarop ze hun woorden aaneenrijgen is heel handig als je het een keer snapt — en ik leerde ze aardig kennen. De hoofdzaak is dat ze belangstelden in alles wat ik wist en zij niet, zoals vuur en veehouden en planten zoeken om te eten. En ze wilden weten hoe ik dat allemaal geleerd had. Ik heb ze over jou verteld, Fagin; misschien was dat een vergissing. Een paar dagen geleden kwam hun leraar, of leider, hoe je hem ook noemt, bij me en zei dat hij wilde dat ik hier terugkwam en jou naar de rots bracht, om al de dingen die je weet aan zijn mensen te leren.

“Nou, dat leek me wel. Ik dacht dat hoe meer mensen jij kende om de dingen te leren die jij ons wilt laten doen, hoe beter het er op werd.” Hij wachtte even, om Fagin gelegenheid voor een antwoord te geven.

“Dat klopt aardig,” gaf de stem van de robot toe, na de gewone tussenpoos. “Wat ging er mis?”



17 из 170