Even leek het alsof zijn metgezel het niet had gehoord. Toen begon de grote bonk oranje vacht te praten, zonder zich om te draaien. ‘Louis, daarginds zijn heren die ik kan verslaan en paargenoten die mijn kinderen kunnen dragen. Daar ben ik op mijn plaats. Jij niet, denk ik. Daarginds zijn de humanoïden slaven, en ze zijn trouwens ook niet helemaal van jouw soort. Jij hoort er niet heen te gaan, ik hoor niet hier te blijven.’ ‘Heb ik dan iets anders beweerd? Jij gaat, ik blijf. Ik zal je missen.’

‘Maar tegen je verstand in.’ ‘Hè?’ Chmeee zei: ‘Louis, ik heb een verhaal over jou gehoord, jaren geleden al. Ik moet weten of het waar was.’ ‘Vertel op.’ ‘Toen we waren teruggekeerd naar onze werelden, nadat we het schip van de Poppenspelers voor nadere studie aan onze regeringen hadden gegeven, heeft Chtarra-Ritt je uitgenodigd om je kans te wagen in het jachtpark bij de stad Bloed-van-Chwarambr. Jij was de eerste buitenwerelder die daar naar binnen mocht anders dan om er te sterven. Je bent twee dagen en een nacht op het terrein gebleven. Hoe was het?’ Louis lag nog steeds op zijn rug. ‘Als geheel prachtig. Vooral wegens de eer, denk ik, maar af en toe moet een man zijn geluk op de proef stellen.’ ‘We hoorden een verhaal, de volgende avond, tijdens het banket bij Chtarra-Ritt.’ ‘Welk verhaal?’ ‘Je was in de binnenste sectie, tussen de importwezens. Je trof daar een waardevol dier aan…’ Louis ging abrupt rechtop zitten. ‘Een witte Bengaalse tijger! Ik bevond me in een fraai, groen woud, doorspikkeld met allerlei rode en oranje vormen van Kzintische flora, en ik voelde me veilig, lekker op mijn gemak, een beetje nostalgisch. Maar toen stapte opeens die schitterende maar o-zo-dodelijke menseneter uit de bosjes. Hij bekeek me belangstellend. Chmeee, hij was van jouw formaat, pakweg vierhonderd kilo, en zo te zien ondervoed.



4 из 407