‘Als hij met deze armzalige krijgsmacht naar Koningslanding gaat,, zal hij er slechts de dood vinden. Hij heeft onvoldoende manschappen. Dat heb ik hem ook gezegd, maar u weet hoe trots hij is.’ Davos stak zijn gehandschoende hand omhoog. ‘Nog eerder zullen mijn vingers weer aangroeien dan dat die man voor rede vatbaar wordt.’

De oude man zuchtte. ‘U hebt gedaan wat u kon. Nu moet ik mijn stem aan de uwe toevoegen.’ Vermoeid hervatte hij zijn klim. Het toevluchtsoord van heer Stannis Baratheon was een groot, rond vertrek met wanden van kale, zwarte steen en vier smalle ramen naar de vier windstreken toe. In het midden stond de grote tafel waaraan de kamer zijn naam ontleende, een massieve schijf fraai bewerkt hout die Aegon Targaryen had laten vervaardigen in de dagen voor de Verovering. De Beschilderde Tafel was ruim vijftig voet lang en op het breedste punt misschien half zo breed, maar op zijn smalst mat hij minder dan vier voet. Aegons timmerlieden hadden hem de vorm van het land Westeros gegeven en daarbij elke baai en kaap afzonderlijk uitgezaagd totdat de tafel nergens meer recht liep. Op het blad, donker geworden door een kleine driehonderd jaar vernis, stonden de Zeven Koninkrijken geschilderd zoals ze er in Aegons dagen hadden uitgezien: rivieren en bergen, burchten en steden, meren en wouden.

In het vertrek stond één zetel, zorgvuldig neergezet op de plek waar Drakensteen lag, voor de kust van Westeros, en op een voetstuk geplaatst om een goed overzicht over het tafelblad te geven. In die zetel zat een man in een nauwsluitende leren kolder en hozen van ruwe bruine wol. Toen maester Cressen binnentrad keek hij op. ‘Ik zag al aankomen dat u zou verschijnen, oude man, of ik u nu zou ontbieden of niet.’ In zijn stem klonk geen zweem van warmte door. Dat was zelden zo.



14 из 1016