‘Robert heeft u onrecht aangedaan,’ antwoordde maester Cressen behoedzaam, ‘maar toch had hij daar gegronde redenen toe. Drakensteen is lange tijd de zetel van het huis Targaryen geweest. Hij had een krachtig man nodig om hier te regeren, en Renling was nog een kind.’

‘Dat is hij nog steeds,’ verklaarde Stannis, en zijn woede galmde luid door de lege zaal. ‘Een diefachtig kind, dat denkt de kroon van mijn hoofd te kunnen graaien. Wat heeft Renling ooit gedaan om een troon te verdienen? Hij zit in de raad te schertsen met Pinkje en op toernooien legt hij zijn glimmende wapenrusting aan en laat zich door een beter man van zijn paard smijten. Dat is mijn broer Renling ten voeten uit. En dat vindt dat hij koning hoort te zijn. Vertelt u mij eens, waarom hebben de goden mij met broers opgezadeld?’

‘Ik kan niet namens de goden antwoorden.’

‘U antwoordt de laatste tijd nog maar zelden, krijg ik de indruk. Wie is Renlings maester? Misschien moet ik die eens ontbieden. Het is mogelijk dat zijn raad mij beter bevalt. Wat denkt u dat die maester heeft gezegd toen mijn broer besloot mijn kroon te stelen? Welk advies had uw collega in petto voor die verraderlijke broer van mij?’

‘Het zou mij verbazen als Renling iemand om advies vroeg, Uwe Genade.’ De jongste van heer Steffons drie zonen was opgegroeid tot een dapper maar roekeloos man, die eerder impulsief dan weloverwogen handelde. Daarin, als in zoveel andere dingen, leek Renling op zijn broer Robert, en in het geheel niet op Stannis.

‘Uwe Genade,’ herhaalde Stannis verbitterd. ‘U spot met mij door mij als koning aan te spreken, maar waarvan ben ik koning? Drakensteen en wat klippen in de zeeëngte, dat is mijn koninkrijk.’ Hij daalde de treden van zijn zetel af en ging voor de tafel staan. Zijn schaduw viel over de monding van de Zwartwaterstroom en het geschilderde woud waar tegenwoordig Koningslanding lag. Daar bleef hij staan piekeren over het rijk dat hij het zijne wilde maken, zo dichtbij en toch zo veraf.



17 из 1016