‘Vanavond zal ik de maaltijd gebruiken met mijn baanderheren, die paar die ik heb. Celtigar, Velaryon, Bar Emmon, het hele armzalige zootje. Ronduit een magere oogst, maar meer hebben mijn broers niet voor me overgelaten. Die piraat uit Lys, Salladhor Saan, komt ook om me zijn nieuwste rekening te presenteren, Morosh uit Myr zal me tot voorzichtigheid manen met zijn praatjes over getijden en najaarsstormen, terwijl heer Brandglas gaat zitten preken over de wil van de Zeven. Celtigar zal willen weten welke stormheren zich bij ons aansluiten. Velaryon zal dreigen zijn achterban mee naar huis te nemen als we niet onmiddellijk aanvallen. Wat moet ik tegen ze zeggen? Wat moet ik nu op dit moment doen?’

‘Uw ware vijanden zijn de Lannisters, heer,’ antwoordde maester Cressen, met zorg zijn woorden kiezend. ‘Als u en uw broer gemene zaak tegen hen zouden maken…’

‘Ik onderhandel niet met Renling,’ antwoordde Stannis op een toon die geen tegenspraak duldde. ‘Niet zolang hij zichzelf koning noemt.’

‘Niet met Renling, dan,’ gaf de maester toe. Zijn heer was koppig en trots. Als hij eenmaal iets in zijn hoofd had, was het niet meer bespreekbaar. ‘Anderen kunnen ook in uw behoeften voorzien. De zoon van Eddard Stark is tot koning in het Noorden uitgeroepen, en alle strijdkrachten van Winterfel en Stroomvliet staan achter hem.’

‘Een groentje,’ zei Stannis, ‘en óók al een valse koning. Moet ik de scheuring van het rijk accepteren?’

‘Een half koninkrijk is toch beter dan geen?’ zei Cressen. ‘En als u de jongen helpt de moord op zijn vader te wreken…’

‘Waarom zou ik Eddard Stark wreken? De man betekende niets voor mij. O, Robert was dol op hem, dat wel. Hield van hem als een broer, hoe vaak heb ik dat niet gehoord. Ik was zijn broer, niet Ned Stark, maar niemand die zag hoe hij mij behandelde zou daar ooit op gekomen zijn. Ik heb Stormeinde voor hem weten te behouden en goede mannen de hongerdood zien sterven terwijl Hamer Tyrel en Paxter Roodweyn in het zicht van mijn muren zaten te schransen.



18 из 1016