
‘Maester Cressen, we hebben bezoek.’ Pylos sprak zacht, alsof hij Cressen ongaarne stoorde bij zijn verheven overpeinzingen. Als hij had geweten dat het hoofd van de maester vol onzin zat zou hij geschreeuwd hebben. ‘De prinses zou graag de witte raaf zien.’ De immer correcte Pylos noemde haar tegenwoordig prinses, omdat haar vader koning was. Koning van een rokende rots in de grote, zilte zee weliswaar, maar toch: een koning. ‘Ze wil graag de witte raaf zien. Haar zot is bij haar.’
De oude man keerde de dageraad de rug toe, met één hand steun zoekend bij zijn gevleugelde draak. ‘Help me naar mijn stoel en laat ze binnen.’
Pylos greep zijn arm en hielp hem naar binnen. In zijn jeugd had Cressen er altijd stevig de pas in gezet, maar nu was zijn tachtigste naamdag niet veraf meer en stond hij wankel en onvast op zijn benen. Twee jaar geleden had hij bij een val zijn heup gebroken, en de breuk was nooit goed genezen. Toen hij vorig jaar ziek werd had de Citadel Pylos vanuit Oudstee naar hier gestuurd, luttele dagen voordat heer Stannis het eiland had afgegrendeld… om hem bij zijn zware werk te helpen, heette het, maar Cressen wist wel beter. Pylos was gekomen om hem na zijn dood te vervangen. Dat deerde hem niet. Iemand moest zijn plaats innemen, en sneller dan hem lief zou zijn…
Hij liet zich door de jongere man achter zijn boeken en papieren neerzetten. ‘Haal haar maar. Een dame hoor je niet te laten wachten.’ Hij wuifde met zijn hand, een machteloos gebaar van haast van een man die niet meer tot haast in staat was. Zijn huid was rimpelig en vlekkerig, en zo vliesdun dat hij het netwerk van adertjes en de beenderen erdoorheen zag schemeren. En wat beefden ze, die handen van hem die eens zo vast en vaardig waren geweest.
