Toen Pylos terugkeerde werd hij vergezeld door het meisje, verlegen als altijd. Achter haar, schuifelend en waggelend, met dat rare zijwaartse loopje van hem, kwam haar zot. Op zijn hoofd zat een namaakhelm, een oude tinnen emmer met een raamwerk van geweitakken erbovenop, en behangen met koeienbellen. De bellen galmden bij iedere slingerende stap, allemaal met een andere klank: rinkeldekinkel boing-doing kling-klang klong klong klong.

‘Wie komt ons zo vroeg bezoeken, Pylos?’ zei Cressen.

‘Ik en Lapjes, maester.’ Argeloze blauwe ogen knipperden hem toe. Ze had bepaald geen mooi gezicht, helaas. Het kind had de vierkante, vooruitstekende kin van haar vader en de betreurenswaardige oren van haar moeder en was bovendien nog mismaakt van zichzelf, het resultaat van de aanval van grauwschub die haar als zuigeling bijna noodlottig was geworden. Over de helft van één wang en tot diep in haar nek was haar vlees stijf en afgestorven. De huid was gebarsten en schilferig, vol zwarte en grauwe vlekken, en voelde keihard aan. ‘Pylos zei dat we de witte raaf mochten zien.’

‘Ja hoor, dat mag,’ antwoordde Cressen. Alsof hij haar ooit iets zou weigeren. Er was haar in haar leven al veel te veel geweigerd. Ze heette Shirine. Op haar eerstvolgende naamdag zou ze tien worden, en ze was het treurigste kind dat maester Cressen ooit had gezien. Haar treurigheid is mijn schande, dacht de oude man, alweer een bewijs van mijn onvermogen. ‘Maester Pylos, wilt u mij een plezier doen en voor jonkvrouw Shirine de vogel uit het roekenhuis halen?’

‘Met genoegen.’ Pylos was een beleefde jongeman, niet ouder dan vijfentwintig, maar desondanks plechtstatig als een zestigjarige. Had hij maar wat meer humor en was hij maar wat levendiger. Dat zouden ze hier goed kunnen gebruiken. Grimmige oorden hadden luchthartigheid nodig, geen plechtstatigheid, en grimmig was Drakensteen zonder enige twijfel, een eenzame citadel midden in een natte, zilte, stormachtige woestenij, met de rokende schaduw van de berg in de rug.



3 из 1016