
De dwaas draaide zijn geblokte lapjeshoofd om te kijken hoe Pylos de ijzeren treden naar het roekenhuis beklom. De beweging deed zijn bellen rinkelen. ‘Onder zee hebben de vogels schubben in plaats van veren,’ zei hij met veel geklingklang. ‘Dat weet ik, weet ik, o, o, o.’
Zelfs voor een zot was Lapjeskop een aanfluiting. Misschien had hij de mensen ooit met een kwinkslag doen schudden van de lach, maar dat vermogen had de zee hem ontnomen, samen met zijn halve verstand en zijn hele geheugen. Hij was dik en pafferig, leed aan zenuwtrekkingen en trillingen en was vaker wel dan niet onsamenhangend. Het meisje was de enige die nog om hem lachte, de enige die het iets kon schelen of hij leefde of dood was. Een lelijk klein meisje, een zielige zot, en de maester is nummer drie… het is om te huilen. ‘Kom bij me zitten, kind.’ Cressen wenkte haar naderbij. ‘Je komt vroeg op bezoek, de zon is nog maar net op. Je zou lekker knus in je bed moeten liggen.’
‘Ik heb eng gedroomd,’ vertelde Shirine hem. ‘Over de draken. Ze kwamen me opeten.’
Het kind had al last van nachtmerries zo lang maester Cressen het zich kon herinneren. ‘Daar hebben we het al eens over gehad,’ zei hij vriendelijk. ‘De draken kunnen niet meer tot leven komen. Ze zijn uit steen gehouwen, kind. In vroeger dagen was ons eiland de meest westelijke buitenpost van het grote Vrijgoed Valyria.
