
‘Wordt het nu koud?’ Shirine was een zomerkind en had nooit echte kou gekend.
‘Te zijner tijd,’ antwoordde Cressen. ‘Indien de goden goed zijn zullen ze ons een warme herfst en overvloedige oogsten schenken, zodat we ons kunnen voorbereiden op de komende winter.’ De kleine luiden zeiden dat een lange zomer een nog langere winter meebracht, maar de maester zag geen reden om het kind met zulke verhalen bang te maken. Lapjeskop liet zijn bellen rinkelen. ‘Onder zee is het altijd zomer,’ galmde hij. ‘De meerminnen dragen nanemonen in hun haar en weven japonnen van zilverwier. Dat weet ik, weet ik, o, o, o.’
Shirine giechelde. ‘Ik zou wel een japon van zilverwier willen hebben.’
‘Onder zee sneeuwt het omhoog,’ zei de zot, ‘en is de regen droog als kurk. Dat weet ik, weet ik, o, o, o.’
‘Gaat het echt sneeuwen?’ vroeg het kind.
‘Ja,’ zei Cressen. Maar dat duurt nog jaren, mag ik hopen, en dan niet lang. ‘Ah, daar is Pylos met de vogel.’
Shirine slaakte een verrukte kreet. Zelfs Cressen moest toegeven dat de vogel een indrukwekkende aanblik bood, wit als sneeuw en groter dan enige havik, met die felle zwarte ogen waaruit bleek dat het geen gewone albino maar een raszuivere witte raaf uit de Citadel was. ‘Hier,’ riep hij. De raaf spreidde zijn vleugels, sprong de lucht in en fladderde luidruchtig het vertrek door om naast hem op tafel te laden.
‘Ik ga uw ontbijt klaarmaken,’ kondigde Pylos aan. Cressen knikte.
‘Dit is vrouwe Shirine,’ zei hij tegen de raaf. De vogel bewoog zijn lichte kop op en neer alsof hij een buiging maakte. ‘Vrouwe,’ kraste hij, ‘Vrouwe.’
