
De mond van het kind viel open. ‘Hij kan praten!’
‘Een paar woordjes. Zoals ik al zei, het zijn slimme vogels.’
‘Slimme vogel, slimme vent, slimme, slimme zot,’ zei Lapjeskop al rinkelend. ‘O slimme slimme slimme zot.’ Hij begon te zingen. ‘De schaduwen zullen dansen heer, dansen heer, dansen heer,’ zong hij terwijl hij van de ene voet op de andere sprong. ‘De schaduwen zullen blijven, heer, blijven heer, blijven heer.’ Bij ieder woord trok hij met zijn hoofd, zodat de bellen in zijn geweitakken begonnen te galmen. De witte raaf krijste en klapwiekte naar de ijzeren leuning van de trap naar het roekenhuis, waar hij bovenop ging zitten. Shirine leek te krimpen. ‘Dat zingt hij de hele tijd al. Ik heb gezegd dat hij ermee moest stoppen, maar dat doet hij niet. Ik word er bang van. Laat hem ophouden.’
Hoe dan? vroeg de oude man zich af. Eens had ik hem misschien voorgoed het zwijgen kunnen opleggen, maar nu…
Lappenkop was als jongen bij hen gekomen. Heer Steffon, zaliger nagedachtenis, had hem gevonden in Volantis achter de zeeëngte. De koning — de oude koning, Aerys II Targaryen, die destijds nog niet compleet krankzinnig was geweest — had zijn heer uitgezonden om een bruid te zoeken voor prins Rhaegar, die geen zusters had om mee te trouwen.
‘We hebben een schitterende zot gevonden,’ had hij Cressen geschreven, twee weken voordat hij van zijn vruchteloze missie zou terugkeren. ‘Een jongen nog, maar lenig als een aap en net zo geestig als tien hovelingen bij elkaar. Hij kan jongleren en raadsels opgeven en goochelen, en hij zingt heel aardig in vier talen. We hebben hem vrijgekocht en hopen hem mee naar huis te nemen. Robert zal verrukt van hem zijn en misschien leert hij te zijner tijd zelfs Stannis nog eens lachen.’
Cressen werd treurig als hij aan die brief dacht. Niemand had Stannis ooit leren lachen, en de jonge Lapjeskop wel het allerminst. De vliegende storm was plotseling opgestoken en de Scheepskrakerbaai had de juistheid van zijn naam bewezen.
