
* * *
Toen ze naar buiten kwam en het grasveld opliep zag Margo Gelhorn de volle maan halverwege aan de hemel hangen. De aardsatelliet zag er even levendig driedimensionaal uit als een bespikkelde marmeren voetbal. Haar bleekgouden teint paste bij de weerkundige zeldzaamheid van een wat koele avond aan de kust van de Stille Oceaan.
‘Daar hangt ‘t misbaksel nou,’ zei Margo.
Paul Hagbolt, die na haar uit de deur tevoorschijn trad, lachte ongemakkelijk. ‘Jij beschouwt de maan echt als een rivale.’
‘Rivale, was het maar waar. Zij heeft Don,’ zei het blonde meisje fel. ‘zelfs Miauw hier heeft ze ook gehypnotiseerd.’ In haar armen droeg ze een rustige grijze poes, in wier groene ogen de maan twee doffe parels waren.
Ook Paul richtte zijn blik op de maan, of liever op een punt aan de bovenkant, boven de schaduw van de Mare Imbrium. Hij kon de krater Plato met daarin de Amerikaanse Maanbasis niet onderscheiden, maar hij wist dat die zichtbaar was.
Margo zei bitter: ‘Het is al erg genoeg om naar dat monsterlijke kerkhof te kijken, terwijl ik weet dat Don daar is, blootgesteld aan alle gevaren van een dooie planeet. Maar nu we ook nog rekening moeten houden met die nieuwe dinges die ze in die sterrenfoto’s hebben ontdekt —’
‘Margo!’ zei Paul scherp, terwijl hij automatisch om zich heen keek. ‘Dat is nog geheime informatie. We horen er niet over te praten — niet hier.’
‘Jij wordt een oud wijf door dat Project! Bovendien heb je me er eigenlijk niets over verteld.’
‘Zelfs dat had ik je niet moeten vertellen.’
‘Nou, waar gaan we dan over praten?’
Paul slaakte een zucht. ‘Kijk,’ zei hij, ‘ik dacht dat we naar buiten gingen om de maansverduistering te zien, en misschien om een eindje te rijden —’
