
‘O ik was de hele eclips vergeten! De maan is al een beetje donker geworden, vind je niet? Is ‘t al begonnen?’
‘Het lijkt er wel op,’ zei Paul. ‘Op dit tijdstip moet het beginnen.’
‘Wat betekent de eclips voor Don?’
‘Niet veel. Het wordt daarboven een poos donker. Dat is alles. O ja, de temperatuur buiten zal iets van 250 graden dalen.’
‘Een vlaag koude uit de zevende cirkel van de Hel en hij zegt: “Dat is alles!” ’
‘ ’t Is niet zo erg als het klinkt. Want om te beginnen is de temperatuur al 150 graden boven nul, weet je,’ legde Paul uit.
‘Een golf dubbel-Siberische kou vlak achter de kokende hitte aan en hij zegt: “Is ‘t niet prachtig!” En als ik aan die andere, onbekende verschrikking denk die de maan vanuit de wereldruimte besluipt —’
‘Hou op, Margo!’ De glimlach verdween van zijn gezicht. ‘Je zit gewoon je verbeelding te spuien.’
‘Verbeelding? Heb je me wel, of heb je me niet verteld over vier sterrenfoto’s die tonen dat —’
‘Ik heb je niets verteld — niets dat je niet volkomen verkeerd uitlegt. Nee Margo, ik weiger er verder woorden aan te verspillen. Of te luisteren naar het doorslaan van jouw opgewonden gedachten. Laten we naar binnen gaan.’
‘Naar binnen gaan? Terwijl Don daarboven zit? Ik wil de hele eclips zien, vanaf de kustweg, als het zo lang blijft duren.’
‘In dat geval,’ zei Paul kalm, ‘kun je beter iets meer aantrekken dan alleen dat jasje. Ik weet dat het nu warm lijkt, maar de nachten hier zijn verraderlijk.’
‘En nachten op de maan soms niet? Hier, hou Miauw even vast.’
‘Waarom? Als je denkt dat ik een loslopende kat ga vervoeren —’
‘Omdat dit jasje te warm is! Hier, pak aan, en geef mij Miauw. Waarom zou je geen kat vervoeren? Het zijn mensen, net als wij. Nietwaar, Miauw?’
‘Dat zijn ze niet. Het zijn gewoon mooie dieren.’
