
Terwijl we daar opeengepakt op ons plankier staan, zien we om ons heen de gezichten van de mensen uit de stad, omhooggeheven als een massa ronde, bruine kiezelstenen met micaglittertjes van duizenden kijkende ogen.
Nu bestijgt de koning een loopplank van ruw hout die vanaf het plankier omhoog leidt naar de top van de boog. De nog onverbonden pijlers torenen boven de menigte, de werven en de rivier uit. Terwijl hij naar boven klimt komt de massa in beroering en een enorm gemompel stijgt op: ‘Argaven!’ Hij antwoordt niet. Dat verwachten ze ook niet. De gossiwors stoten een donderend vals geblaat uit en zwijgen dan. Stilte. De zon schijnt op de stad, de rivier, de menigte en de koning. Beneden hebben metselaars een elektrische hijsinstallatie ingeschakeld en terwijl de koning verder klimt, stijgt de sluitsteen van de boog langs hem omhoog in zijn touwen, en wordt hij, ondanks het feit dat het een groot, tonnen wegend blok is, bijna geluidloos opgehesen, gericht, en in het gat tussen de twee pijlers gepast, waardoor die één worden, één ding, een boog. Boven op de steiger wacht een metselaar met een troffel en een emmer op de koning; alle andere werklieden gaan omlaag langs touwladders als een grote zwerm vlooien.
De koning en de metselaar knielen op hun steiger daarboven, tussen rivier en zon. De koning neemt de troffel ter hand en begint de lange naden van de sluitsteen dicht te metselen. Hij doet niet maar wat om vervolgens de troffel terug te geven aan de metselaar, maar hij pakt het karwei vakkundig aan. De specie die hij gebruikt is rose van kleur, anders dan de rest van het metselwerk en als ik vijf minuten naar de werkende koningsbij heb gekeken, vraag ik de persoon links van me: ‘Worden jullie sluitstenen altijd in rode specie gezet?’ Want in iedere boog van de Oude Brug, die zich stroomopwaarts van de boog schitterend boven de rivier verheft, is dezelfde kleur duidelijk zichtbaar rond de sluitsteen.
