
Als ik zijn kennis prijs zegt hij: ‘Ik kom zelf uit Kermland. Trouwens, het is mijn beroep de Domeinen te kennen. Zij vormen samen Karhide. Als je dit land wilt regeren, moet je de heren regeren. Niet dat iemand daar ooit in is geslaagd. Ken je de spreuk: Karhide is geen land, maar een familieruzie?’ Die ken ik niet en ik vermoed dat Estraven hem zelf heeft verzonnen, het is echt iets voor hem.
Op dit moment duwt en wringt een ander lid van de Kyorremy, bovenkamer of parlement waarvan Estraven voorzitter is, zich naar voren tot vlakbij hem en begint tegen hem te praten. Het is een neef van de koning, Pemmer Harge rem ir Tibe. Hij spreekt met zeer zachte stem tegen Estraven, zijn houding is ietwat onbeschaamd en hij lacht dikwijls. Estraven die staat te zweten als smeltend ijs blijft glad en koud als ijs en beantwoordt Tibes gefluister hardop met zo’n gewone, beleefde stem dat de ander een tamelijk dwaas figuur slaat. Ik luister terwijl ik naar de metselende koning kijk, maar het ontgaat me volkomen, behalve dan de vijandschap tussen Tibe en Estraven. In ieder geval heeft het niets met mij te maken en ik stel alleen maar belang in het gedrag van deze mensen, die in de ouderwetse zin van het woord een land regeren, die het lot van twintig miljoen andere mensen bepalen. In de werkwijze van de Oecumene is macht zo subtiel en ingewikkeld geworden dat alleen een zeer subtiele geest hem nog aan het werk kan zien; hier is hij nog beperkt, nog zichtbaar. Bij Estraven bijvoorbeeld voel je zijn macht als een toevoeging aan zijn karakter; hij kan geen leeg gebaar maken of een woord zeggen dat niet wordt gehoord. Hij weet het en die wetenschap geeft hem meer waarachtigheid dan de meeste mensen bezitten: eenheid van wezen, tastbaarheid, menselijke grootheid. Niets is zo succesvol als het succes. Ik vertrouw Estraven niet; toch voel ik zijn gezag en reageer ik erop, even zeker als ik op de warmte van de zon reageer.
