Maar terwijl ik dit denk verdwijnt de zon van deze wereld al achter de dichttrekkende wolken en vlak daarna jaagt een eenzame regenvlaag hard over de rivier, bespettert de menigte op de Oevers en verduistert de hemel. Als de koning de loopplank afdaalt breekt de zon voor het laatst door en zijn witte gestalte en de grote boog steken een ogenblik helder en schitterend af tegen de donkerbewolkte zuidelijke hemel. De wolken sluiten zich. Een koude wind giert de Haven-en-Paleisstraat in, de rivier wordt grijs, de bomen op de oever staan te schudden. De parade is afgelopen. Een half uur later sneeuwt het.

Toen de auto van de koning wegreed door de Haven-en-Paleisstraat en de menigte in beweging kwam als een rotsig strand in beroering gebracht door een trage branding, wendde Estraven zich weer naar mij en zei hij: ‘Wilt u vanavond bij me komen souperen, meneer Ai?’ Ik nam het aan, meer verrast dan verheugd. Estraven had de laatste zes of acht maanden een heleboel voor me gedaan, maar ik had zo’n vertoon van persoonlijke gunst als een uitnodiging naar zijn huis niet verwacht, noch gewenst. Harge rem ir Tibe stond nog steeds achter ons, hij hoorde het en ik voelde dat het de bedoeling was dat hij het hoorde. Geërgerd door deze vrouwelijke intriges stapte ik van het plankier af en ging ik schuil onder de menigte, waarbij ik een beetje moest bukken en buigen. Ik ben niet veel langer dan de gemiddelde bewoner van Gethen, maar in een menigte is het verschil opvallend. Dat is hem, kijk, daar is de Gezant. Natuurlijk was dat een onderdeel van mijn taak, maar het was een onderdeel dat moeilijker en niet makkelijker werd, naarmate de tijd verstreek; steeds vaker verlangde ik naar anonimiteit, naar gelijkheid. Ik begeerde gelijk te zijn aan ieder ander.



7 из 275