Want de nacht is donker en vol verschrikkingen. Koppie had hen die woorden wel honderd keer horen uitroepen als ze hun god R’hllor vroegen om hen van de duisternis te redden. Hij had genoeg aan de Zeven, maar had gehoord dat Stannïs Baratheon tegenwoordig R’hllor aanbad bij de nachtvuren. Hij had diens vurige hart zelfs op zijn banieren gezet in plaats van de gekroonde hertenbok. Als hij de IJzeren Troon verovert, zullen we allemaal de woorden van het lied van de rode priesters moeten leren, dacht Koppie, maar waarschijnlijk was dat niet. Tywin Lannister had Stannis en R’hllor op het Zwartewater een verpletterende nederlaag toegebracht en weldra zou hij definitief met hen afrekenen en het hoofd van de Baratheon-pretendent op een piek boven de poort van Koningslanding zetten.

Naarmate de nachtelijke nevels weggebrand werden, nam Oudstee rondom hem vorm aan; als een spookbeeld dook het op uit de schemering voor de dageraad. Koppie had Koningslanding nooit gezien, maar hij wist dat het een stad van hout en leem was, een wirwar van modderige straatjes, rieten daken en houten krotten. Oudstee was van steen en alle wegen waren bestraat, tot en met het miserabelste steegje. De stad was altijd op haar mooist bij het aanbreken van de dag. Op de westelijke oever van de Honingweijn rezen de Gildehallen op als een reeks paleizen. Stroomopwaarts verrezen de koepels en torens van de Citadel aan weerszijden van de rivier, verbonden door stenen bruggen waarop zalen en huizen zich verdrongen. Stroomafwaarts dromden de zwarte marmeren muren en boogvensters van de Sterrensept en de herenhuizen van de vrouwen bijeen als kinderen rond de voeten van een bejaarde, adellijke weduwe.

En daarachter, waar de Honingweijn zich verbreedde tot de Fluistersont, rees de Hoogtoren op, waarvan de vuurbakens fel afstaken tegen de dageraad. Vanwaar hij stond op de rotsen van Slageiland sneed zijn schaduw de stad als een zwaard doormidden. Wie in Oudstee geboren en getogen was kon aan die schaduw het tijdstip van de dag aflezen. Sommigen beweerden dat je vanaf de top helemaal tot aan de Muur kon kijken. Misschien was dat de reden waarom heer Leyten al meer dan tien jaar niet meer naar beneden was gekomen en er de voorkeur aan gaf zijn stad vanuit de wolken te besturen.



17 из 953