Rondhout kuchte. ‘Ik ben als jongen verdronken,’ zei hij, ‘en mijn zoon op zijn naamdag.’

Aeron snoof. Dat Steffarion Rondhout kort na zijn geboorte aan de Verdronken God was gegeven, daar twijfelde hij niet aan. Hij wist ook hoe: een snelle onderdompeling in een tobbe zeewater waar het hoofdje van de baby nauwelijks nat van was geworden. Geen wonder dat de ijzergeborenen overwonnen waren, zij die eens plachten te heersen op alle plaatsen waar het geluid van golven te horen was. ‘Dat is geen ware verdrinking,’ zei hij tegen de ruiters. ‘Hij die niet in waarheid sterft kan niet hopen uit de doden op te staan. Waarom bent u gekomen, als het niet is om uw geloof te bewijzen?’

‘Heer Gorolds zoon komt u opzoeken om nieuws te brengen.’ Rondhout wees naar de knaap met de rode mantel.

De jongen leek niet ouder dan zestien. ‘Ja, en wie van de drie ben jij?’ wilde Aeron weten.

‘Gormond. Gormond Goedenbroer, naar het mijn heer behaagt.’

‘Het is de Verdronken God die wij moeten behagen. Ben jij verdronken, Gormond Goedenbroer?’

‘Op mijn naamdag, Vochthaar. Mijn vader heeft mij gezonden om u op te zoeken en u bij hem te brengen. Hij moet u spreken.’

‘Hier sta ik. Laat heer Gorold komen en zich in mijn aanblik verlustigen.’ Aeron nam van Rus een leren zak aan, gevuld met vers zeewater. De priester trok de kurk eruit en nam een slok.

‘Ik moet u naar de burcht brengen,’ drong de jonge Gormond aan, hoog te paard gezeten.

Hij durft niet af te stijgen uit angst dat zijn laarzen nat worden. ‘Ik moet het werk van de god uitvoeren.’ Aeron Grauwvreugd was een profeet. Hij nam het niet als mindere heren aan hem bevelen uitdeelden alsof hij een horige was.

‘Gorold heeft een vogel gekregen,’ zei Rondhout.

‘Een maestersvogel, van Piek,’ bevestigde Gormond.

‘Duistere wieken, duistere woorden. De raven vliegen over zee en steen. Als er berichten zijn die mij aangaan, spreek dan nu.’



24 из 953