
“Heel juist. Ik merk wel dat jullie filosofen heel goed zijn in meetkunde. Wat ik niet begrijp is waarom ze niet tot het inzicht zijn gekomen dat er twee vormen zijn waarbij de afstanden kloppen. Tenslotte: begrijp je niet dat het oppervlak van Mesklin naar beneden kromt? Wanneer jouw theorie juist zou zijn zou de horizon boven je staan. Hoe verklaar je dit?”
“O, maar dat is ook zo. Daardoor weten ook de meest primitieve stammen dat de wereld komvormig is. Alleen hier, bij de Rand, ziet het er anders uit. Ik denk dat het iets te maken heeft met het licht. Tenslotte gaat de zon hier zelfs in de zomer op en onder en het zou niet verwonderlijk zijn als de dingen er dan wat vreemd uitzagen. Het lijkt er zelfs op dat de — horizon, zei je? — in het noorden en zuiden dichterbij is dan in het oosten en westen. Je kunt een schip uit het oosten en westen al van veel verder weg zien. Het komt door het licht.”
“Hm. Ik vind het op dit ogenblik een beetje moeilijk om over je redenering te debatteren.” Barlennan was niet voldoende bekend met de manier van spreken van de Vlieger om de zweem van amusement in zijn stem te horen. “Ik ben nooit ver van de — eh — Rand geweest, en kan dat ook niet. Ik heb nooit beseft dat het er zo uitzag als je nu beschrijft, en ik begrijp op het ogenblik ook niet waarom dat zo is. Ik hoop het te zien wanneer je op reis gaat met die beeldradio.”
“Het zal me een genoegen zijn te horen waarom onze filosofen zich vergissen,” antwoordde Barlennan beleefd. “Als je het wilt vertellen, natuurlijk. Intussen ben ik nog altijd benieuwd of je me kunt zeggen wanneer de storm ophoudt.”
“Het duurt een paar minuten voor ik een rapport krijg van het station op Toorey. Wat zeg je ervan als ik je tegen zonsopgang oproep. Dan kan ik je de weersvoorspelling geven en is het licht genoeg om me je Kom te laten zien. In orde?”
