
“Maar op de derde morgen, met de berg alweer uit het gezicht, raakte ik slaags met een ding, dat in een gat in de grond woonde en een arm uitstak om alles te vangen wat er voorbijging. Het greep me om de benen en het leek niet veel te geven om mijn speren. Ik denk dat ik er niet vandaan gekomen was als ik geen hulp had gekregen.”
“Hulp?” De verbaasde vraag werd geuit zonder de pauze die de opmerkingen van de leraar kenmerkte; Jim had het gezegd. “Hoe kon je hulp krijgen? Niemand van ons was daar in de buurt.”
“Dus was het niemand van ons — tenminste, niet precies. Hij zag er net zo uit en gebruikte net zulke speren. Maar toen het eindelijk lukte dat ding in het gat te doden, probeerden we met elkaar te praten en zijn woorden waren heel anders. Het duurde zelfs een tijdje voor ik begreep dit hij praatte. Hij gebruikte dezelfde geluiden voor woorden als wij, maar vermengde ze met een heleboel andere die je ons nooit hebt geleerd.
“Na een tijdje besefte ik dat het geluid praten was en ik vroeg me af waarom ik daar niet eerder aan gedacht had — deze persoon was immers niet door jou opgevoed en had dus z’n eigen woorden voor de dingen moeten verzinnen. Het zou dwaas zijn te verwachten dat ze dan hetzelfde uitvielen als bij ons. Ik besloot met hem mee te gaan en meer te ontdekken, want dit leek veel belangrijker dan kaarttekenen. Als ik zijn gepraat kon leren, zou ik van hem veel meer te weten komen dan in maandenlang verkennen. “Het gaf hem zeker niets dat ik hem achterna ging en onderweg begon ik wat woorden op te vangen. Dat was niet makkelijk, want hij zette ze op rare manieren achter elkaar; het was niet genoeg alleen het geluid te leren wat hij voor elk ding gebruikte. We gingen samen op jacht en zo leerden we met elkaar te praten. Onderweg volgden we geen rechte lijn, maar ik heb de route redelijk kunnen onthouden en ik kan zijn dorp zo op de kaart aangeven.”
“Dorp?” Weer was het Jim die hem onderbrak. Fagin zei niets.
