
Vijf anderen waren in het dorp zelf en Fagin stond op de gebruikelijke plek in het midden van de huizenkring. Nick riep de leraar bij zijn naam toen hij in het gezicht kwam.
“Fagin! Er is narigheid! Wat hebben we voor wapens die je ons nog niet hebt laten zien?”
Als altijd was er een pauze van een paar tellen voor er antwoord kwam.
“Wel, daar heb je Nick. We hadden je haast opgegeven. Wat is er met die wapens? Verwacht je een gevecht met iemand?”
“Ik denk het wel, ja.”
“Met wie?”
“Nou, het lijken mensen als wij. Maar ze houden geen vee, ze gebruiken geen vuur en ze hebben andere woorden voor de dingen dan wij.”
“Waar liep je ze tegen het lijf? En waarom moeten we met ze vechten?”
"t Is een lang verhaal, denk ik. Ik geloof dat ik beter bij het begin beginnen kan. Maar we moeten niet meer tijd verliezen dan strikt nodig.”
“Daar ben ik het mee eens. Een volledig verslag zal ons allemaal het meest zeggen. Ga je gang.” Nick verlegde zijn gewicht op zijn standbenen en gehoorzaamde.
“Ik ging, als afgesproken, langzaam naar het zuiden. Onderweg bracht ik de route in kaart. Bijzonder veel was er niet veranderd, tot de rand om de strook waar onze landbouw en veeteelt zich doorgaans afspeelt. Verderop kon ik natuurlijk slecht uitmaken of er kort geleden iets veranderd was, of hoe.
“Het beste meetpunt aan het eind van de eerste dag was een berg, een vrij regelmatige kegel en veel hoger dan ik ooit tevoren had gezien. Ik had zin hem te beklimmen, maar ik vond dat nauwkeurig inmeten beter later kon gebeuren. Ik moest onderweg immers nieuw terrein ontdekken en hoefde het niet precies te beschrijven.
“Wat het reizen zelf betrof, ging alles zijn gewone gang. Ik doodde genoeg uit zelfverdediging om voedsel te hebben, en die dag was geen van de dieren anders dan anders.
