Ik kende de omgeving helemaal niet: ik was naar het westen gegaan, niet noord, om iemand uit de holen te misleiden als hij me had zien gaan. Zodoende werd ik gesmoord in een regendruppel een minuut nadat mijn laatste licht uitging. Het was zo langzamerhand laat genoeg, dus kon ik het spul niet meer inademen. Maar ik was de hele tijd op hoge grond gebleven dus ik werd ’s morgens wakker voordat iets me als zijn ontbijt had gebruikt.” Nick hield even op, en net als de anderen — behalve Fagin — zette hij zich in een gemakkelijker houding op zijn rustbenen toen de grond weer schudde. “Ik maakte een flinke ruime boog naar het westen, toen draaide ik weer naar het noorden en oosten om op huis af te gaan. Elk ogenblik verwachtte ik weer gegrepen te worden. Die lui zijn geweldige jagers en spoorzoekers. Iedere avond trok ik nog een paar uur na donker verder, maar ik hield tijdig halt om hout te zoeken en vaste vuren te stapelen voor mijn stokken uitgingen, na die eerste keer. De regen kreeg me niet meer te pakken en ik werd ook niet ingehaald. Toch zullen ze het dorp vroeg of laat vinden en ik vind dat we zo gauw mogelijk moeten verhuizen.”

Even viel er een stilte na het verslag van Nick; toen begonnen de dorpelingen te snateren, elk had een voorstel en niemand lette op wat een ander zei. Ze hadden heel wat trekken van de mens overgenomen. Dit rumoer ging een paar minuten door en alleen Nick wachtte zwijgend op commentaar van Fagin.

Eindelijk sprak de robot.

“Je hebt volkomen gelijk: de holbewoners zullen het dorp hier vinden. Ze weten waarschijnlijk al waar het is. Het zou stom van ze geweest zijn om je in te halen, zolang ze reden hadden te geloven dat je naar huis ging. Toch zie ik geen voordelen in weggaan: ze kunnen ons overal volgen. Nu ze van ons bestaan afweten gaan we ze heel gauw ontmoeten. “Ik wil niet dat jullie met ze vechten. Ik mag jullie allemaal graag en ik heb heel wat tijd besteed aan jullie opvoeding; ik wil jullie liever niet zien afslachten.



20 из 170