
“Wanneer moeten we beginnen? Nu meteen?”
“Dat zou het beste zijn, maar je hebt een lange reis achter de rug en je verdient rust. De dag is toch al grotendeels om en we zullen wel niet veel tijd verliezen als we je een nacht laten slapen voor je gaat. Ga morgenochtend.”
“Goed, Leraar.” Nick liet niet merken dat het vooruitzicht Snel weer te zien hem zenuwachtig maakte. Hij kende die wilde nu een paar weken en Fagin had hem nooit gezien. Maar de Leraar wist zoveel; hij had Nick vrijwel alles geleerd wat hij wist en een levenlang — tenminste, Nicks leven — was hij het hoogste gezag geweest in het dorp. Alles zou wel verlopen zoals Fagin voorspelde.
Het had zo kunnen zijn, als de mannen achter de robot de holbewoners niet grotelijk hadden onderschat in hun ervaring met spoorvolgen. Nick had niet eens de tijd in slaap te vallen naast zijn waakvuur toen de regen viel en de lichten waren ontstoken, of er klonk een verraste kreet, de stem van Nancy, vier vuren verder naar links. En een tel later zag hij Snel in eigen persoon, te midden van een rij van zijn grootste krijgers, die aan beide kanten onder om de heuvel trokken. Zwijgend waaierden zij de helling op, recht op hen toe.
2
Uitgelegd en uitgescholden
“En wat doet u nu?”
