
“O nee. Ik denk er niet over u nu uit deze kamer te halen. Trouwens, het schip is niets vergeleken bij jullie boeiende project op die planeet en dat kunt u ons net zo goed hier uitleggen als ergens anders. U wacht nu toch op een antwoord van uw agent. Uw robot is, veronderstel ik, al lang op de planeet. Misschien wilt u me meer vertellen hoe u die agenten daar bij elkaar kreeg. Mijn zoon zal wel in het schip rondgeleid willen worden, als iemand anders zich kan vrijmaken van zijn werk.”
“Zeker wel. Ik wist niet dat hij uw zoon was. Hij werd niet genoemd in het bericht over uw bezoek, dus ik veronderstelde dat hij een assistent was.
“Och, dat is in orde. Zoon, dit is dr. Heiven Raeker; dr. Raeker, dit is Aminadorneldo.”
“Heel prettig met u kennis te maken, meneer,” piepte de jonge Drommiër.
“Zeer vereerd. Als je even wacht zal iemand je door de Vindemiatrix komen rondleiden — of wil je liever hier blijven om deel te nemen aan het gesprek?”
“Nee, dank u. Ik zie liever het schip.”
Raeker knikte en een ogenblik wachtte hij zwijgend. Hij had al op de dienstknop gedrukt om een bemanningslid naar de observatiekamer te roepen. Hij vroeg zich af waarom de jongen met zijn vader mee was; misschien had het wel een bedoeling. Maar het was beter als hij er niet bij was, want Raeker kon de twee nauwelijks onderscheiden en het was nogal pijnlijk ze dooreen te halen. Voor mensen waren ze allebei reuzen. Op hun achterbenen — voor hen een hoogst onnatuurlijke houding — maten ze bijna drie meter. Ruwweg was hun bouw als van een wezel — of liever een otter, want de slanke vingers aan het eind van hun leden hadden vliezen. Kort en krachtig waren die ledematen, en de vliezen van de eerste vier waren beperkt tot strookjes langs de vingers — volmaakt natuurlijke evolutie voor amfibieën van een planeet, met een zwaartekracht van vier maal die op aarde aan de oppervlakte.
