
Maar het keek niet rond; voorlopig kon het niet zien. Er moest een en ander worden afgesteld. Zelfs een massief blok polymere kunststof, zonder bewegende delen behalve zijn voortbeweging en werktuigen, kon niet totaal onveranderd blijven onder een buitendruk van achthonderd atmosfeer. De richtmaten van het blok, en die van de ingebedde elektronische bedrading, waren iets gewijzigd. De verre bestuurders hadden de pauze na de landing nodig om de nu iets verschillende frequenties te vinden van de afstandsbediening. De ogen die zo duidelijk gezien hadden in de ruimte, werden afgesteld, zodat het verschil in brekingsindex tussen het diamant en de nieuwe omgeving de beelden niet hopeloos vervormde. Dit duurde niet lang, want het ging automatisch, de atmosfeer deed het zelf door in minieme poriën te dringen tussen bepaalde lenselementen.
Zodra ze optisch waren bijgesteld, hadden de ogen geen last meer van de haast totale duisternis. De lichtversterkers erachter gebruikten elk kwantum straling dat de diamanten ontvangen konden. Mensenogen, verweg, kluisterden zich aan de beeldschermen die de beelden toonden van wat de machine zag en uitzond.
Het was een golvend landschap, op het eerste gezicht niet al te onaards. In de verte lagen brede heuvels, waarvan de omtrekken vervaagd waren door wat op een woud leek. Dichtbij was de grond geheel bedekt met plantengroei, min of meer als gras, maar het duidelijke spoor achter de robot bewees dat het spul veel brosser was. Groepen hogere groeisels staken op onregelmatige afstanden omhoog, meest op hogere grond. Niets leek er te bewegen, zelfs niet het fijnste lover van de planten, ofschoon een regelmatig gekraak en gedreun haast voortdurend doorkwam via de geluidsdetectors in het plasticblok. Afgezien van het geluid was het landschap als een stilleven, zonder wind of dierlijke bedrijvigheid.
