
“Snel gaat direkt naar de holen terug. Hij zegt dat hij je zal verbranden als je niet meegaat. Kun je daar tegen?”
Er was meer aarzeling dan gewoonlijk. Niemand had ooit de temperatuur van het vuur op Tenebra gemeten en de man was niet zó’n ervaren natuurkundige dat hij een gokje kon wagen over de stralingsafgifte. De voornaamste overweging voor hem was de prijs van de robot.
“Nee,” antwoordde hij. “Ik ga wel mee.”
“Wat moeten wij doen?”
Raekers idee dat de dorpsbewoners thuis moesten blijven was een van de dingen die hij zijn aflossing niet had gezegd. Hij had verwacht terug te zijn lang voor het begin van de tocht. Zijn vervanger deed het beste wat hij wist in die omstandigheden.
“Zie maar wat je doet. Mij doen ze niets. Later neem ik wel contact op.”
“Goed.” Nick liet handig na de Leraar aan het eerdere bevel te herinneren. Het nieuwe lag hem meer. Zwijgend zag hij hoe de overvallers op Snels commando zoveel mogelijk fakkels vergaarden van de haast gebluste vuren. Toen dromden ze om de Leraar en lieten een gat in de menigte, aan de kant die hij op moest. Het gebeurde alles zonder een woord, maar de bedoeling was duidelijk. De robot draaide op zijn rupsen en bewoog zuidwaarts met de holbewoners in een drom achter hem aan.
Nick overwoog even of ze nog fakkelhout zouden vinden, voor wat ze hadden op was. Nog voor de Leraar uit het gezicht verdween hield hij zich al met andere dingen bezig.
Hij had nu de vrije hand. Wel, hij vond het nog steeds het beste om het dorp te verlaten. Dat zouden ze zo gauw mogelijk doen. Natuurlijk, voor een paar dagen kon dat niet, tot iedereen weer lopen kon, maar in die tijd konden ze allerlei regelen.
