
‘Dat zijn mijn zaken, nietwaar?’
‘Ja, ja. En werving is mijn zaak. U zou een goeie keus zijn als lid van onze expeditie. U neemt risico’s, maar die berekent u wel eerst. U bent er niet bang voor met uzelf alleen te zijn. U bent voorzichtig en slim genoeg om na tweehonderd jaar nog te leven. En omdat u de medische behoeften van uw lichaam niet hebt verwaarloosd, heeft het de conditie van een man van twintig. En ten slotte, het allerbelangrijkste: u schijnt echt op het gezelschap van buitenaardsen gesteld te zijn.’
Natuurlijk!’ Louis kende wel een paar xenofoben, maar hij vond het sukkels. Het leven werd wel erg saai als je alleen maar tegen mensen mocht praten.
‘Maar u zou liever niet blindelings ergens op ingaan. Louis Wu, is het niet voldoende te weten dat ik, een poppenspeler, meega? Wat zou u in vredesnaam te vrezen hebben waar ik niet eerder voor bevreesd zou zijn? De verstandige behoedzaamheid van mijn volk is spreekwoordelijk.’
‘Dat is waar,’ zei Louis. Hij was eerlijk gezegd al verkocht. Het was een samengaan van rusteloosheid en nieuwsgierigheid en een voorliefde voor buitenaardse volkeren. Waar de poppenspeler ging, zou Louis Wu ook gaan. Maar hij wilde meer weten.
Hij had bovendien een machtspositie. Een buitenaardse zou, als hij het voor het zeggen had, niet in zo’n hotelkamer gaan wonen. Deze zo alledaags uitziende kamer, dit in de ogen van een Aards mens zo geruststellende, normale vertrek, moest speciaal voor het werven van een expeditielid zijn ingericht.
‘U wilt dus niet vertellen wat u van plan bent te onderzoeken,’ zei Louis. ‘Kunt u me wel zeggen waar het is?’
‘Tweehonderd lichtjaren van hier in de richting van de Kleine Wolk van Maghellaen.’
‘Maar zelfs met de hyperversnelling kost het ons twee jaar voor we er zijn.’
