
Zoals al te voorspellen was geweest, waren te veel uren van zijn verjaardag heengegaan met voorstellen. O, de lijst van namen die hij van tevoren uit zijn hoofd had moeten leren! Te veel oude vrienden waren vreemden geworden.
En een paar minuten voor middernacht was Louis Wu in een transfercabine gestapt, had een nummer gedraaid en was verdwenen.
‘Ik verveelde me dood,’ zei Louis Wu. ‘ “Hoe was je laatste vakantie, Louis?” “Hoe kun je, altijd zo alleen!” “Wat goed van jou om de Trinocse ambassadeur uit te nodigen, Louis!” “Tijd niet gezien, hè, Louis?” “Zeg, Louis, weet jij waarom ze drie Jinksianen nodig hebben om een wolkenkrabber te schilderen?” ’
‘Waarom?’
‘Waarom wat?’
Waarom drie Jinksianen?’
‘O, dat. Nou, je hebt er één nodig om de verfspuit vast te houden terwijl de twee andere de wolkenkrabber op en neer schudden. Die ken ik al van de kleuterschool. Al die ouwe rommel van een heel leven, al die oudbakken moppen, allemaal in dat enorme huis, ik kon er niet meer tegen.’
‘U bent een rusteloos mens, Louis Wu. Dat groot verlof van u; u bent toch met die gewoonte begonnen, niet?’
‘Ik weet niet meer hoe het begonnen is. Het sloeg nogal snel aan. De meesten van mijn kennissen doen het tegenwoordig.’
‘Niet zo vaak als u. Om de veertig jaar wordt het gezelschap van andere mensen u te veel. Dan verlaat u de menselijke werelden en trekt u naar de grenzen van de verkende ruimte. Achter die grenzen zwerft u rond, alleen, in uw enkelschip, tot de behoefte aan gezelschap zich weer laat gelden. Van uw laatste groot verlof, uw vierde, bent u twintig jaar geleden teruggekeerd.
U bent rusteloos, Louis Wu. Op elk van de werelden binnen de menselijke invloedssfeer in de ruimte hebt u lang genoeg gewoond om als ingezetene bekend te staan. Vanavond bent u weggelopen van uw eigen verjaarspartij. Bent u alweer rusteloos aan het worden?’
