
‘Ik ben hier helemaal niet vanwege een van jouw kinderen,’ zei Dona Cristã. ‘Ik kom over Novinha praten.’
Dona Cristã hoefde geen achternaam te noemen; iedereen kende Novinha. Het was nog maar acht jaar geleden dat er een eind was gekomen aan de verschrikkelijke Descolada. De ziekte had de kolonie met uitsterven bedreigd nog voor hij goed en wel op gang was gekomen; de geneeswijze werd ontdekt door Novinha’s vader en moeder, Gusto en Cida, de twee xenobiologen. De tragische ironie van het lot wilde dat ze de oorzaak van de ziekte en de behandeling ervan te laat ontdekten om zichzelf te kunnen redden. De laatste Descoladabegrafenis was de hunne.
Pipo herinnerde zich nog duidelijk hoe het kleine meisje Novinha daar had gestaan aan de hand van burgemeester Bosquinha, terwijl bisschop Peregrino in eigen persoon voorging in de begrafenismis. Nee — ze had niet de hand van de burgemeester vastgehouden. Hij zag het tafereel weer voor zich en daarmee kwam ook de herinnering terug aan wat hij toen voelde. Hij herinnerde zich dat hij zich afvroeg hoe ze dit allemaal zou ervaren. Het is de begrafenis van haar ouders, ze is de enige overlevende van haar familie en toch ervaart ze overal om zich heen de grote blijdschap van de bevolking van deze kolonie. Is ze niet nog te klein om te begrijpen dat onze vreugde het beste eerbetoon aan haar ouders is? Ze slaagden na een lange worsteling en vonden onze redding in de kwijnende dagen voor hun dood; we zijn hier bijeen om het grote geschenk te prijzen dat ze ons gaven.
