Maar voor jou, Novinha, is het de dood van je ouders, zoals je broers al eerder stierven. Vijfhonderd doden en meer dan honderd dodenmissen hier in deze kolonie de afgelopen zes maanden; stuk voor stuk omgeven met een sfeer van angst en verdriet en wanhoop. En nu jouw ouders sterven, zijn voor jou de angst en het verdriet en de wanhoop niet minder dan ooit — maar niemand deelt jouw pijn. Bij ons is het juist de verlossing van de pijn die steeds in onze gedachten is.

Terwijl hij naar haar zat te kijken en zich haar gevoelens probeerde voor te stellen, slaagde hij er alleen maar in om zijn eigen verdriet te laten herleven — over het verlies van zijn Maria, zeven jaar oud, weggevaagd door de dodelijke wind die haar lijfje met kankergezwellen en woekerende zwammen bedekte, zodat het weefsel zwol of wegteerde; een nieuwe ledemaat die arm noch been was groeide uit haar heup, terwijl tegelijk het vlees in grote lappen van haar voeten en haar hoofd viel en het bot blootlegde; haar lieve, mooie lijf werd voor hun ogen verwoest, terwijl haar pientere geest genadeloos helder bleef, zodat ze alles kon voelen wat er met haar gebeurde tot ze God smeekte om haar te laten sterven. Pipo herinnerde zich dat en herinnerde zich vervolgens haar dodenmis, gedeeld met vijf andere slachtoffers. Terwijl hij zat, knielde en daar stond met zijn vrouw en zijn overgebleven kinderen, had hij de volmaakte eenheid van de mensen in de kathedraal gevoeld. Hij wist dat zijn pijn aller pijn was, dat hij door het verlies van zijn oudste dochter met zijn gemeenschap verbonden was door de innige banden van verdriet, en dat was een troost voor hem, het was iets om zich aan vast te klampen. Dat hoorde bij zulk verdriet, algemene rouw.

Kleine Novinha had niets van dat alles. Haar pijn was zo mogelijk nog erger dan die van Pipo was geweest — Pipo had tenminste niet zijn hele gezin verloren, en hij was een volwassene, geen doodsbang kind dat plotseling de grondvesten van haar leven heeft verloren.



11 из 442