
‘Ik wou dat ik ook van die eeltkussens op mijn benen had,’ zei Pipo. ‘De bast van die boom zou mijn huid aan flarden scheuren.’
‘Dat zou ons allemaal erg beschaamd maken.’ Wroeter stond stil in de afwachtende houding die Pipo opvatte als hun manier om lichte verontrusting te tonen, of misschien wel om de andere pequeninos geluidloos te waarschuwen dat ze op hun hoede moesten zijn. Het zou zelfs een teken van grote angst kunnen zijn, maar voor zover Pipo kon nagaan, had hij nog nooit een pequenino hevige angst zien voelen.
In elk geval zei Pipo vlug iets om hem gerust te stellen. ‘Maak je niet druk, ik ben veel te oud en te zwak om in zulke bomen te klimmen; dat laat ik aan jongelingen zoals jij over.’
En het werkte; Wroeters lijf begon onmiddellijk weer te bewegen. ‘Ik hou van boomklimmen. Ik kan alles zien.’ Wroeter ging voor Pipo op zijn hurken zitten en bracht zijn gezicht dicht bij dat van Pipo. ‘Wil je het beest dat over het gras loopt zonder de grond te raken eens een keer meenemen? De anderen geloven me niet als ik zeg dat ik zo’n ding heb gezien.’
Weer een valstrik. Wat nu, Pipo, xenoloog, ga je dit individu van de gemeenschap die je bestudeert vernederen? Of laat je het verloop van deze ontmoeting bepalen door de strikte wet die het Gesternte-parlement heeft opgesteld? Er waren maar weinig precedenten. De enige andere verstandelijke anderlingen die de mensheid ooit was tegengekomen waren de kruiperds, drieduizend jaar geleden, en aan het eind van dat contact waren de kruiperds allemaal dood. Dit keer had het Gesternteparlement zich ervan verzekerd dat als de mensheid in de fout ging, die fout de andere kant op zou liggen. Een minimum aan informatieoverdracht en een minimum aan contact.
Wroeter herkende Pipo’s aarzeling, zijn behoedzame zwijgen.
‘Jij vertelt ons nooit wat,’ zei Wroeter. ‘Jij kijkt naar ons en bestudeert ons, maar je laat ons nooit door je hek in je eigen dorp toe om jullie te bekijken en jullie te bestuderen.’
