Het was een uiterst doeltreffende manier van belachelijk maken, vooral ook omdat zijn opgeheven snoet er uitgesproken varkensachtig uitzag. Geen wonder dat buitenwerelders hen ‘zwijntjes’ noemden. De eerste mensen die deze wereld bezochten hadden hen destijds in ‘86 in hun eerste rapporten zo genoemd en tegen de tijd dat in 1925 de Lusitaniakolonie werd gesticht, was de naam niet meer weg te krijgen. De xenologen verspreid over de Honderd Werelden schreven over hen als ‘inheemse Lusitaniërs’, maar Pipo wist heel goed dat dit uitsluitend een kwestie van beroepsfatsoen was — buiten hun wetenschappelijke publicaties noemden xenologen hen vast ook zwijntjes. Pipo zelf noemde hen pequeninos, en daar hadden ze kennelijk geen bezwaar tegen, want inmiddels noemden ze zichzelf ‘Kleintjes’. Toch, beroepsfatsoen of niet, het viel niet te ontkennen. Op momenten zoals dit zag Wroeter eruit als een varken op zijn achterpoten.

‘Acrobaat,’ zei Wroeter, het nieuwe woord uitproberend. ‘Wat ik deed? Jullie hebben een woord voor mensen die dat doen? Er zijn dus mensen die dat als hun werk doen?’

Pipo zuchtte inwendig, al hield hij stijf zijn lach op zijn gezicht. De wet verbood hem strikt om informatie over de menselijke samenleving te verstrekken, om te voorkomen dat die de zwijntjescultuur zou aantasten. Toch was Wroeter altijd bezig om door redeneren elke laatste druppel informatie te persen uit alles wat Pipo zei. Maar dit keer was het toch echt Pipo zelf die die malle opmerking eruit had geflapt die een onnodige kijk gaf op de menselijke samenleving. Af en toe voelde hij zich zo op zijn gemak tussen de pequeninos, dat hij er ongedwongen op los praatte. Altijd gevaarlijk. Ik ben niet zo goed in dit voortdurende informatie verzamelen en tegelijk proberen er niets voor terug te geven. Libo, mijn gesloten zoon, is daar al handiger in dan ik en hij is nog maar — wanneer is hij ook weer dertien geworden? — vier maanden mijn leerling.



6 из 442