
Chmeee bekeek de vis. ‘Mooie vangst,’ zei hij goedkeurend. Zijn blik zocht het plafond en de wanden af. Hij vond wat hij zocht: een glinsterend fractaal spinnenweb vlak onder de grote oranje bol in het topje van de koepel.
De Stedenbouwers kwamen binnen; ze veegden hun handen af. Kawaresksenjajok was een jongen die de adolescentie nog maar kort achter de rug had, en zijn paargenoot, Harkabeeparolyn, was een paar jaar ouder. Allebei hadden ze een kale kruin; hun haren hingen tot over hun schouders. Harkabeeparolyn nam de baby bij zich en gaf haar de borst. Kawaresksenjajok zei: ‘We raken je nu gauw kwijt.’ ‘We hebben hier een spion,’ zei Chmeee. ‘Ik vermoedde het al, maar nu weten we het zeker. De Poppenspeler heeft een camera op ons gericht.’ De jongeman lachte ondanks zijn boosheid. ‘Wij zouden hetzelfde gedaan hebben. Het zoeken van kennis is een natuurlijke drang.’ ‘Binnen een dag zal ik uit de ogen van de Poppenspeler zijn. Kawa, Harkee, ik zal jullie erg missen. Jullie gezelschap, jullie kennis, jullie snuggerheid. Maar mijn gedachten zullen weer voor mij alleen zijn.’ Ik raak ze allemaal kwijt, dacht Verst-in-de-achterhoede. Overlevingsdrang geeft me in dat ik een weg moet aanleggen waarlangs ik hen terug kan halen. ‘Luitjes,’ zei hij, ‘krijg ik een uurtje om jullie te amuseren?’
