
De Stedenbouwers waren verbijsterd. De Kzin grijnsde. Louis Wu zei: ‘Amuseren? Vooruit maar.’ ‘Wil je dan de lichten uitdoen?’ Louis deed het. De Poppenspeler begon een soort liedje te fluiten. Hij keek door zijn venster en nam hun gezichten op. Op de plaats waar het netwerkoog zich had bevonden zagen ze nu een venster dat, achter striemende regengordijnen, uitzicht bood op de rand van een uitgestrekte vlakte. Daar, in de diepte, krioelden honderden bleke humanoïde gestalten. Ze leken dol op elkaars gezelschap. Ze betastten elkaar zonder vijandigheid en hier en daar paarden ze zonder privacy te zoeken.
‘Dit is tegenwoordige tijd,’ zei Verst-in-de-achterhoede. ‘Ik heb deze locatie in het oog gehouden vanaf het moment dat we de omloopbaan van Ringwereld hersteld hadden.’
‘Vampiers,’ zei Kawaresksenjajok. ‘Flup, Harkee, heb jij er ooit zoveel bij elkaar gezien?’
‘Nou?’ vroeg Louis. ‘Voordat ik onze sonde terugbracht naar de Grote Oceaan heb ik haar gebruikt om een reeks netwerkogen te plaatsen. Je ziet nu het gebied dat we als eerste verkend hebben vanaf het hoogste punt dat ik kon vinden, om mij het beste uitzicht te geven. Helaas wordt het zicht voortdurend vertroebeld door wolken en regen. Maar je ziet, Louis, dat er leven is, daarginds.’ ‘Vampiers.’
‘Kawaresksenjajok, Harkabeeparolyn, dit is aan bakboordzijde van het gebied waar jullie woonden. Zien jullie dat het leven er welig tiert? Jullie zouden kunnen terugkeren.’ De vrouw wachtte af, stelde haar oordeel uit. De jongen was onderhevig aan tweestrijd. Hij mompelde een onvertaalbaar woord in zijn eigen taal.
‘Beloof geen dingen die je niet waar kunt maken,’ zei Louis Wu. ‘Louis, sinds onze redding van Ringwereld heb je mij voortdurend ontweken. Je praat steeds alsof we met een vlammenwerper honderdduizenden vierkante kilometers bewoond gebied hebben verzengd.
