
‘Het is een lange klim, maester.’
Cressen glimlachte. ‘Dacht je dat ik dat niet meer wist? Ik heb deze treden immers al zo vaak beklommen dat ik ze stuk voor stuk van naam ken.’
Halverwege kreeg hij spijt van zijn beslissing. Hij was blijven staan om op adem te komen en de pijn in zijn heup te laten wegebben toen hij het schrapen van laarzen op steen hoorde en oog in oog kwam te staan met ser Davos Zeewaard, die bezig was af te dalen. Davos was een tengere man wiens lage geboorte duidelijk aan zijn alledaagse gezicht was af te lezen. Een verschoten, afgedragen groene mantel vol spetters zout en zeeschuim hing om zijn magere schouders, over een wambuis en hozen in dezelfde kleur bruin als zijn ogen en haar. Aan een riempje om zijn nek bungelde een versleten leren buidel. Zijn baardje was al aardig grijs, en aan zijn verminkte linkerhand droeg hij een leren handschoen. Toen hij Cressen zag bleef hij staan.
‘Ser Davos,’ zei de maester. ‘Wanneer bent u teruggekomen?’
‘In het donker voor het ochtendgrauwen. Mijn lievelingstijdstip.’ Men zei dat geen mens bij nacht ook maar half zo goed met een schip overweg kon als Davos Korthand. Voordat hij door heer Stannis was geridderd was hij de beruchtste en ongrijpbaarste smokkelaar van de Zeven Koninkrijken geweest.
‘En?’
De man schudde zijn hoofd. ‘U had hem er al voor gewaarschuwd. Ze willen niet in opstand komen. Niet voor hem. Hij is niet geliefd.’
Nee, dacht Cressen. En dat zal hij nooit zijn ook. Hij is krachtig, bekwaam, rechtvaardig… zelfs meer dan raadzaam is… en toch is dat niet genoeg. Het is nooit genoeg geweest. ‘U hebt ze allemaal gesproken?’
‘Allemaal? Nee. Alleen degenen die me binnenlieten. Op mij zijn ze ook niet gesteld, die hooggeboren heren. Voor hen zal ik altijd de Uienridder blijven.’ Zijn linkerhand sloot zich en zijn stompe vingers maakten een vuist; Stannis had de bovenste kootjes afgehakt, behalve van de duim. ‘Ik heb het brood gebroken met Gulian Swaan en de oude Koproos, en de Tarths waren bereid tot een middernachtelijke samenkomst in een gewijd bos. De overigen… welnu, Beric Dondarrion wordt vermist en is volgens sommigen dood, en heer Caron bevindt zich bij Renling. Hij is nu Oranje Brys van de Regenbooggarde.’
