De tweemastergalei van heer Steffon, de Windtrots, had schipbreuk geleden in het zicht van de burcht. Zijn twee oudste zonen hadden vanaf de muren moeten toezien hoe het schip van hun vader op de klippen liep en door de golven werd verzwolgen. Honderd roeiers en zeelieden gingen samen met heer Steffon Baratheon en zijn gemalin te gronde, en nog dagen later bleef er na ieder hoog tij een verse oogst gezwollen lijken achter op het strand onder aan Stormeinde. De jongen spoelde op de derde dag aan. Maester Cressen was met de anderen afgedaald om de doden te helpen identificeren. Toen ze de zot vonden was hij naakt, zijn huid wit en rimpelig, bedekt met een laagje fijn zand. Cressen had hem voor het zoveelste lijk aangezien, maar toen Jommy hem bij zijn enkels had gegrepen om hem naar de lijkwagen te slepen had de jongen water opgehoest en was hij rechtop gaan zitten. Jommy had tot zijn dood toe gezworen dat Lapjeskops huid klam en kil had aangevoeld.

Niemand had ooit een verklaring kunnen bedenken voor de twee dagen die de zot in zee had doorgebracht. De vissers zeiden altijd dat hij van een meermin had geleerd om water te ademen in ruil voor zijn zaad. Lapjeskop zelf had niets gezegd. De geestige, slimme knaap uit heer Steffons brief had Stormeinde nimmer bereikt; de jongen die zij hadden gevonden was een ander, gebroken van lichaam en geest, nauwelijks tot spreken in staat, laat staan tot het maken van grappen. Toch liet zijn zottenkop geen twijfel over zijn identiteit bestaan. In de Vrijstad Volantis was men gewoon de gezichten van slaven en bedienden te tatoeëren; van zijn nek tot zijn hoofdhuid had de huid van de jongen een patroon van roodgroene ruiten.

‘De stakker is gek, hij lijdt pijn, en geen mens die wat aan hem heeft, vooral hijzelf niet,’ had de oude ser Harbert, de toenmalige kastelein van Stormeinde, verklaard. ‘Het barmhartigste dat u kunt doen is hem een beker papavermelksap geven. Een pijnloze slaap waar vanzelf een eind aan komt. Als hij het benul had zou hij er dankbaar voor zijn.’



8 из 1016