
Niemand had ooit een verklaring kunnen bedenken voor de twee dagen die de zot in zee had doorgebracht. De vissers zeiden altijd dat hij van een meermin had geleerd om water te ademen in ruil voor zijn zaad. Lapjeskop zelf had niets gezegd. De geestige, slimme knaap uit heer Steffons brief had Stormeinde nimmer bereikt; de jongen die zij hadden gevonden was een ander, gebroken van lichaam en geest, nauwelijks tot spreken in staat, laat staan tot het maken van grappen. Toch liet zijn zottenkop geen twijfel over zijn identiteit bestaan. In de Vrijstad Volantis was men gewoon de gezichten van slaven en bedienden te tatoeëren; van zijn nek tot zijn hoofdhuid had de huid van de jongen een patroon van roodgroene ruiten.
‘De stakker is gek, hij lijdt pijn, en geen mens die wat aan hem heeft, vooral hijzelf niet,’ had de oude ser Harbert, de toenmalige kastelein van Stormeinde, verklaard. ‘Het barmhartigste dat u kunt doen is hem een beker papavermelksap geven. Een pijnloze slaap waar vanzelf een eind aan komt. Als hij het benul had zou hij er dankbaar voor zijn.’
