
Hij keek weer omlaag, en hij stond op glinsterend witte grond. Niet letterlijk, maar de aanblik van versgevallen sneeuw bij sterrenlicht was met duivelse precisie nagebootst. Kooldioxide dat gestaag omhoogsijpelde door het puimsteen en ijzeroxide van Plato’s bodem was plotseling overal in de omtrek uitgekristalliseerd in vlokken droog ijs die meteen aan de oppervlakte werden gevormd of er bijna direct op neervielen.
Don glimlachte, voelde zich nu minder onmenselijk ver van het leven. De maan was nog geen moeder voor hem geworden, nog lang niet, maar ze begon wel al een beetje op een kille oudere zuster te lijken.
* * *
Frisse lucht stroomde langs de open auto die Paul Hagbolt en Margo Gelhorn en de poes Miauw over de snelweg langs de westkust voerde. Met bijna regelmatige tussenpozen doemde er een verweerd geel bord op, dat telkens aangroeide tot het duidelijk leesbaar verkondigde VALLENDE STENEN of VERSCHUIVINGSGEVAAR, en dan dook het weer uit de lichtbundel van de koplampen. De snelweg nam een smalle strook land in beslag tussen het strand en een bijna verticale, dertig meter hoge klif van geologisch jong materiaal — opeengepakt slib, zand, grind, en andere sedimenten, hoewel hier en daar rotsblokken uitstaken.
Margo zat met wapperend haar half in haar stoel gedraaid, haar knieën op de zitplaats tussen haar en Paul, zodat ze naar de smoezelige, bronzen maan kon kijken. Ze had haar jasje over haar schoot gespreid. Daarop lag Miauw, opgerold en diep in slaap, of ze gaf daar een goede imitatie van. ‘We naderen Vandenberg Twee,’ zei Paul. ‘We zouden door een van de telescopen van het Project naar de maan kunnen kijken.’
