
‘Zou Morton Opperley daar zijn?’ vroeg Margo.
‘Nee,’ zei Paul, en hij glimlachte flauw. ‘Hij zit tegenwoordig in de Vallei, bij Vandenberg Drie, en speelt meester-tovenaar voor de andere theoretische lieden.’
Margo haalde haar schouders op en keek schuin omhoog. ‘Wordt die maan nou nooit zwart?’ vroeg ze zich af. ‘Ze heeft nog steeds dat vieze koperkleurtje.’
Paul legde haar uit hoe de ringgloed werkte.
‘Hoe lang duurt die verduistering eigenlijk?’ vroeg ze. Toen hij zei: ‘Twee uur’ wierp ze tegen: ‘Ik dacht dat maansverduisteringen in een paar seconden over waren, terwijl iedereen opgewonden raakt en zijn kamera laat vallen.’
‘Dat is bij zonsverduisteringen — de totale.’
Margo glimlachte en leunde achterover. ‘Vertel me nu maar over die sterrenfoto’s. In een rijdende auto kan geen mens ons afluisteren. En ik ben nu niet meer opgewonden. Ik maak me geen zorgen meer over Don — de eclips is voor hem alleen een bronzen deken.’
Paul aarzelde.
Ze glimlachte opnieuw. ‘Ik beloof je dat ik niet over mijn toeren zal raken. Ik wil gewoon alleen maar begrijpen wat ze betekenen.’
Paul zei: ‘Ik kan je niet beloven dat je het begrijpt. Zelfs de grote astronomische figuren maakten alleen diepzinnige geluiden. Inclusief Opperley.’
‘Nou?’
Paul liet de wielen rond een plekje grind zwenken. Toen begon hij. ‘Wel, als alles normaal verloopt circuleren sterrenfoto’s de eerste paar jaar niet, of helemaal nooit, maar de sterrenkundigen van het Project hebben met hun vriendjes in de observatoria afgesproken dat ze alles te zien krijgen dat niet normaal is. We hebben zelfs wel foto’s gekregen de dag nadat ze waren genomen.
