
3
Paul Hagbolt keek naar de heuvels voor hem uit, waar de kustweg het land in zwenkte en begon te klimmen. Achter deze bocht, tussen de weg en de zee, torende het honderd meter hoge plateau waarop Vandenberg Twee stond, het thuis van het Maanproject en tevens de nieuwste raket lanceer- en landingsbasis van de Amerikaanse ruimtemacht. De ruimtebasis, die aan zijn voet met een glimmend hek was omgeven en aan zijn top alleen een paar donkerrode lichten toonde, rees geheimzinnig op tussen de afbuigende snelweg en de oceaan — een onheilspellend, waardig bolwerk van de toekomst.
De snelweg maakte een holler zoemgeluid toen de auto een eenvoudige betonnen brug over een kleine inham overstak, en Margo ging rechtop zitten. Miauw huiverde.
Het meisje draaide zich om en keek over Pauls schouder achterom. ‘Hé, wacht even!’
‘Wat is er?’ vroeg Paul zonder vaart te minderen. De kustweg begon te stijgen.
‘Ik zou bijna zweren,’ zei Margo terwijl ze achterom keek, ‘dat ik een bord zag met de woorden “Vliegende Schotel” er op.’
‘Vliegende Schotel-broodjes?’ opperde Paul. ‘Hebben dezelfde vorm, weet je.’
‘Nee, er was geen café of zoiets. Alleen een klein wit bord. Vlak voor de inham. Ik wil teruggaan en even kijken.’ ‘Maar we zijn al bijna bij V-2,’ maakte Paul bezwaar. Wil je de maan niet door een teleskoop zien terwijl de verduistering nog aan de gang is? Je kunt Plato zien, alleen moeten we de kap dicht doen en Miauw in de auto laten. We mogen geen huisdieren binnen brengen.’
‘Nee, ik heb geen zin,’ zei Margo. ‘Ik word ziek van die gladde behandeling op het Project. En bovendien, ik verfoei instellingen die ontkennen dat katten mensen zijn.’
‘Al goed, al goed,’ grinnikte Paul.
‘Laten we dus meteen omkeren. Als we die kant oprijden kunnen we de maan beter zien.’
