
‘Einde van de schotelexpeditie,’ kondigde hij vrolijk aan. ‘Maar de anderen zijn verder gegaan,’ zei Margo, die weer rechtop stond. ‘Je kunt zien dat ze er langs zijn gereden.’ ‘Vooruit dan maar,’ zei Paul slachtofferachtig. ‘Maar als we in het zand blijven steken zul jij aan het strand planken moeten gaan zoeken om onder de wielen te leggen.’
De banden draaiden even door, maar het kostte de auto geen moeite om trekkracht te ontwikkelen. Een eindje verder kwamen ze bij een ondiepe inham in de rotswand, waar de weg driemaal zo breed werd. Een tiental auto’s stond hier zij aan zij geparkeerd, met de achterbumpers vlak tegen de klif. De eerste gasten waren in een rode limousine, een volksbus en een witte bestelwagen met open laadbak gekomen.
Achter de laatste auto stond een tweede groene lantaarn en een elegant beletterd bordje: PARKEER HIER. DAARNA DE GROENE LAMPEN VOLGEN.
‘Net als het station van de ondergrondse in Times Square,’ riep Margo verrukt uit. ‘Ik wed dat er New Yorkers in deze groep zitten.’
‘Die dan kortgeleden aangekomen zijn,’ deelde Paul mee, die wantrouwig naar de klif keek terwijl hij naast de laatste auto parkeerde. ‘Ze hebben nog geen tijd gehad om over de lawines van Californië te horen.’
Margo sprong eruit met Miauw in haar armen. Paul volgde en overhandigde haar haar jasje.
‘Heb ik niet nodig,’ zei ze. Hij drapeerde het zonder commentaar over zijn arm.
De derde groene lantaarn stond bij het strand, naast een aanplanting van hoog zeegras. Het strand was bijzonder vlak. Ze konden het sissen van de branding horen — naar het geluid te oordelen waren het maar kleine golfjes. Miauw miauwde bezorgd. Margo sprak haar zacht toe.
