
Vlak achter de auto’s zwenkten de kliffen scherp naar rechts, en het egale strand volgde ze landinwaarts. Paul besefte dat ze zich aan de monding van de geul moesten bevinden die ze op de snelweg tweemaal hadden gekruist. Op enige afstand achter de geul begon de grond weer te hellen.
Nog verder weg kon hij in de hoogte een rood licht zien knipperen, en veel lager het glinsteren van een hek van gaas. Deze bewijzen van de aanwezigheid van Vandenberg Twee vond hij op duistere wijze geruststellend.
Ze liepen langs het zeegras in de richting van de oceaan, naar de groene vonk van de vierde lantaarn, die bijna zo klein was als een planeet. Het rulle zand maakte zwak een zangerig geluid terwijl ze erdoor sloften. Margo nam Paul bij zijn arm.
‘Denk je eraan dat de eclips nog steeds aan de gang is?’ fluisterde ze. Hij knikte. Ze zei: ‘Paul, wat zou het betekenen als de sterren er omheen nu gingen trillen?’
Paul zei: ‘Ik geloof dat ik achter de vierde groene lamp een wit licht zie. En mensen. En een of ander laag gebouw.’
Ze liepen door. Het lage gebouw zag eruit alsof het eens een groot strandhuis van de een of ander was geweest, of anders misschien een klein clubhuis. De ramen waren met planken dichtgemaakt. Aan deze zijde lag een tamelijk groot plankier, zonder dak of wanden, ongeveer een halve meter boven het zand. Het kon nauwelijks iets anders zijn dan een oude dansvloer. Er waren iets van honderd klapstoelen op gezet, waarvan alleen de voorste twintig waren bezet. De stoelen keken uit op zee en een lange tafel, die iets hoger stond op wat eens het podium voor het orkest was geweest. Achter de tafel zaten drie mensen wiens gezichten door wat wit licht werden beschenen — buiten de groene lantaarn achter de toeschouwers was dit de enige verlichting.
Een van de drie mensen had een baard; een tweede was kaal en droeg een bril; de derde was in avondkledij met witte das en een groene tulband.
