Na een paar blokken Brouwersstraat sloeg ik de richting van mijn kamer in en plotseling merkte ik dat Tibe naast me liep in dê dunner wordende menigte.

‘Een onberispelijke gebeurtenis,’ zei de neef van de koning lachend. Zijn lange, schone, gele tanden verschenen en verdwenen weer in een geel gezicht dat, hoewel hij nog niet oud was, een netwerk van fijne, zachte rimpeltjes had.

‘Een goed voorteken voor het succes van de nieuwe Haven,’ zei ik.

‘Inderdaad.’ Weer tanden.

‘De plechtigheid van de sluitsteen is zeer indrukwekkend.’

‘Inderdaad. Die plechtigheid is een overlevering van zeer-lang-geleden. Maar zonder twijfel heeft Heer Estraven u dat allemaal uitgelegd.’

‘Heer Estraven is zeer gedienstig.’

Ik probeerde gewoon te praten, maar alles wat ik tegen Tibe zei, scheen plotseling voor tweeërlei uitleg vatbaar.

‘O ja, inderdaad,’ zei Tibe. ‘Heer Estraven staat inderdaad bekend om zijn vriendelijkheid jegens vreemdelingen.’ Hij lachte weer, en iedere tand scheen een betekenis te hebben, dubbel, driedubbel; tweeëndertig verschillende betekenissen.

‘Er zijn maar weinig vreemdelingen zo vreemd als ik, Heer Tibe. Ik ben hem zeer dankbaar voor zijn vriendelijkheid.’

‘Inderdaad, ja, inderdaad! En dankbaarheid is een edele, zeldzame, door dichters veelgeprezen emotie. Zeldzaam vooral hier in Erhenrang, ongetwijfeld omdat het niet praktisch is. Het zijn harde tijden waarin we leven, ondankbare tijden. De dingen zijn niet meer zoals ze waren in de dagen van onze grootouders, nietwaar?’

‘Dat zou ik niet kunnen zeggen, meneer, maar op andere werelden heb ik dezelfde klacht gehoord.’

Tibe staarde me enige tijd aan alsof ik volkomen krankzinnig was.



8 из 275