
Ik liep verder naar huis, naar mijn eiland. (Karosh, eiland, het gebruikelijke woord voor de pension-flatgebouwen waarin het grootste deel van de stadbewoners van Karhide is gehuisvest. De eilanden bevatten 20 tot 200 aparte kamers; de maaltijden zijn gemeenschappelijk. Sommige worden beheerd als een hotel, andere kermen net zo’n samenwerking als een kommune, weer andere kombineren deze twee vormen. Ze zijn stellig een stadse aanpassing van de fundamentele Karhidi-sche instelling van de Haard, hoewel natuurlijk de plaatselijke en genealogische stabiliteit van de Haard ontbreekt.) Nu de laatste wintersneeuw was weggedooid was de voortuin zichtbaar, en de winterdeuren, drie meter boven de grond, waren voor een paar maanden gesloten tot de herfst en de diepe sneeuw weer terugkeerden. Opzij van het gebouw, temidden van modder, ijs en de snelle, tere, weelderige lentegewassen stond een jong paar te praten. Ze hielden elkaar bij de rechterhand. Ze waren in het eerste stadium van kemmer. De grote, zachte sneeuwvlokken dansten om hen heen terwijl ze daar blootsvoets in de ijzige modder stonden, de handen ineengestrengeld, volledig door elkaar in beslag genomen. Lente op Winter.
