
Leo’s ogen waren hazelbruin en fonkelden van de wijn en van kwaadaardigheid. ‘Je moeder was een aap van de Zomereilanden. De Dorners naaien alles met een gat tussen de benen. Dat bedoel ik niet beledigend, hoor. Je mag dan zo bruin als een noot zijn, je gaat in elk geval in bad. Anders dan onze sproetenkop van een varkenshoeder.’ Hij wuifde naar Koppie.
Als ik hem met mijn kroes op zijn bek timmer, sla ik misschien de helft van zijn tanden eruit, dacht Koppie. Sproetenkoppie de varkenshoeder was de held van honderden schuine verhalen, een goedhartige maar leeghoofdige knaap die er altijd weer in slaagde de dikke jonkertjes, hooghartige ridders en opgeblazen septons die hem belaagden de loef af te steken. Op de een of andere manier bleek zijn stompzinnigheid steeds weer een soort boerenslimheid te zijn; de verhalen eindigden er altijd mee dat Sproetenkoppie op de hoge zetel van een heer zat of het bed deelde met de dochter van een ridder. Maar dat waren verhalen. In de echte wereld verging het varkenshoeders nooit zo goed. Koppie dacht soms dat zijn moeder een hekel aan hem moest hebben gehad, dat ze hem zo had genoemd.
Alleras glimlachte niet meer. ‘Maak je verontschuldigingen.’
‘O ja?’ zei Leo. ‘Hoe kan dat nou, als ik zo’n droge keel heb…’
‘Met ieder woord dat je zegt, maak je je huis te schande,’ zei Alleras tegen hem. je maakt de Citadel te schande door een van ons te zijn.’
‘Weet ik. Koop dus maar wat wijn voor me, kan ik mijn schaamte verdrinken.’
Mollander zei: ‘Ik zou graag je tong met wortel en al uitrukken.’
‘Werkelijk? Hoe moet ik jullie dan over de draken vertellen?’ Leo haalde nog maar eens zijn schouders op. ‘Die halfbloed heeft gelijk. De dochter van de gekke koning leeft nog en ze heeft drie draken uitgebroed.’
‘Drie?’ zei Roene stomverbaasd.
Leo klopte hem op de hand. ‘Meet’ dan twee en minder dan vier. Ik zou nog maar niet voor mijn gouden schakel gaan, als ik jou was.’
