
‘Doe het nou niet in je hozen, Armin. Ik riep alleen haar naam uit, niet de opstand.’
Koppie hoorde iemand grinniken. Achter hem zei een zachte, sluwe stem: ‘Altijd wel geweten dat jij een verrader was, Springkikker.’ Luie Leo schuifelde de oude plankenbrug op, gehuld in groen-met-goud gestreept satijn, een korte cape van zwarte zijde, met een jaden roos op zijn schouder gespeld. Naar de kleur van de vlekken te oordelen was de wijn die hij over de voorkant van zijn kleren gemorst had een stevige rode geweest. Een lok asblond haar viel over een van zijn ogen.
Mollander zette zijn stekels op toen hij hem zag. ‘Vlieg op. Ga weg. Jij bent hier niet welkom.’
Alleras legde een hand op zijn arm om hem tot kalmte te manen, terwijl Armin zijn wenkbrauwen fronste. ‘Leo. Heer. Ik had begrepen dat u nog in de stad moest blijven. Nog…’
‘…drie dagen.’ Luie Leo haalde zijn schouders op. ‘Volgens Perestan is de wereld veertigduizend jaar oud. Volgens Mollos vijfhonderdduizend. Nou vraag ik je, wat zijn dan drie dagen?’ Al waren er meer dan tien lege tafeltjes op het terras, Leo ging aan het hunne zitten. ‘Trakteer me op een beker goud uit het Prieel, Springkikker, dan vertel ik mijn vader misschien niet op wie je hebt gedronken. De stenen keerden zich tegen me in de Geruite Gok, en ik heb mijn laatste hertenbok aan een diner verspild. Speenvarken in pruimensaus, gevuld met kastanje en witte truffels. Een man moet toch eten. Wat hebben jullie gegeten, jongens?’
‘Schaap,’ pruttelde Mollander. Het klonk bepaald niet enthousiast. ‘We hebben een gekookte schapenbout onder mekaar verdeeld.’
‘Dat was vast wel voedzaam.’ Leo wendde zich tot Alleras. ‘De zoon van een heer hoort vrijgevig te zijn, Sfinx. Ik heb begrepen dat je je koperen schakel hebt gewonnen. Daar wil ik op drinken.’
Alleras beantwoordde zijn glimlach. ‘Ik trakteer alleen vrienden. En ik ben geen herenzoon, dat weet je best. Mijn moeder was een koopvrouw:’
