
‘Laat hem met rust,’ zei Mollander waarschuwend.
‘Wat een ridderlijke Springkikker. Zoals je wilt. Ieder bemanningslid op elk schip dat binnen honderd mijl langs Qarth is gevaren, heeft het over die draken. Een paar zullen je zelfs bezweren dat ze ze gezien hebben. De Magus is geneigd hen te geloven.’
Armin tuitte afkeurend zijn lippen. ‘Marwyn is niet goed snik. Aartsmaester Perestan zal de eerste zijn om je dat te vertellen.’
‘Aartsmaester Ryam zegt het ook,’ zei Roene.
Leo gaapte. ‘De zee is nat, de zon is warm en de menagerie haat de mastiff.’
Hij drijft de spot met iedereen, dacht Koppie, maar hij kon niet ontkennen dat Marwyn meer van een mastiff dan van een maester weg had. Alsof hij je wil bijten. De Magus was anders dan de andere maesters. Men zei dat hij omging met hoeren en haagmaesters, en met harige Ibbenezen en roetzwarte Zomereilanders in hun eigen taal sprak en in de kleine zeemanstempels bij de scheepswerven offers bracht aan rare goden. Naar verluidt was hij vaak te signaleren in de benedenstad, in rattenkuilen en zwarte bordelen, in gezelschap van mommers, zangers, huurlingen en zelfs bedelaars. Sommigen gingen zelfs zover om te fluisteren dat hij eens met zijn blote vuisten een man had gedood.
Toen Marwyn naar Oudstee was teruggekeerd nadat hij acht jaar lang in het oosten vreemde landen in kaart had gebracht, naar verloren gegane boeken had gezocht en bij heksenmeesters en schaduwbinders had gestudeerd, had Vaellijn Azijn hem de bijnaam ‘Marwyn de Magus’ gegeven. Tot Vaellijns enorme ergernis was de naam weldra in heel Oudstee bekend. ‘Laat spreuken en gebeden aan priesters en septons over, en gebruik je hersens om je waarheden eigen te maken waar een man op kan bouwen,’ had aartsmaester Ryam Koppie eens aangeraden, maar Ryams ring, staf en masker waren van geel goud en zijn maestersketen had geen schakel van Valyrisch staal.
