Armin keek langs zijn neus op Luie Leo neer. Zijn neus was daar perfect geschikt voor: lang, dun en puntig. ‘Aartsmaester Marwyn gelooft in een heleboel merkwaardige zaken,’ zei hij, ‘maar hij kan net zo min bewijzen dat er draken zijn als Mollander. Hij kent alleen meer zeemansverhalen.’

‘Fout,’ zei Leo. ‘In de vertrekken van de Magus brandt een glazen kaars.’

Op het door toortsvuur verlichte terras daalde een stilte neer. Armin zuchtte en schudde zijn hoofd. Mollander schoot in de lach. De Sfinx bestudeerde Leo met zijn grote, zwarte ogen. Roene leek er niets van te snappen.

Koppie wist van de glazen kaarsen af, al had hij er nooit een zien branden. Ze waren het slechtst bewaarde geheim van de Citadel. Men zei dat ze duizend jaar voor de Doem vanuit Valyria naar Oudstee waren gebracht. Hij had gehoord dat er vier waren: één groene en drie zwarte, en allemaal lang en gedraaid.

‘Wat zijn die glazen kaarsen voor dingen?’ vroeg Roene.

Armin de Acoliet schraapte zijn keel. ‘De nacht voordat een acoliet zijn geloften spreekt, moet hij een staande wake houden onder het gewelf. Hij mag geen lantaarn hebben, geen toorts, geen lamp, geen vuurspaan… alleen een kaars van obsidiaan. Hij moet die nacht in duisternis doorbrengen, tenzij hij de kaars aan het branden krijgt. Sommigen proberen dat. Koppige dwazen, die studie gemaakt hebben van de zogenaamde hogere mysteries. Vaak snijden ze zich in de vingers, want de ribbels op die kaarsen zijn vlijmscherp, zegt men. Dan moeten ze met bloed aan hun handen de dageraad afwachten terwijl ze hun mislukking oyerpeinzen. Wijzere mannen gaan gewoon slapen of brengen de nacht in gebed door, maar ieder jaar zijn er wel een paar die het per se willen proberen.’

‘Ja.’ Koppie had die verhalen ook gehoord. ‘Maar wat heb je aan een kaars die geen licht geeft?’



12 из 953