
‘We hebben genoeg gedronken en aartsmaester Ebroos gaat over de eigenschappen van urine spreken. Wie een zilveren schakel wil smeden, doet er goed aan zijn toespraak niet te missen.’
‘Het zij verre van mij, je ervan te weerhouden om pis te proeven,’ zei Leo. ‘Zelf geef ik de voorkeur aan goud uit het Prieel.’
‘Als de keus tussen pis en jou gaat, dan drink ik pis.’ Mollander schoof zijn stoel naar achteren. ‘Kom, Roene.’
De Sfinx reikte naar zijn booghoes. ‘Voor mij is het ook bedtijd. Ik denk dat ik wel over draken en glazen kaarsen zal dromen.’
‘Iedereen?’ Leo haalde zijn schouders op. ‘Nou ja, Roosje blijft hier. Misschien maak ik ons snoepje wel wakker om een vrouw van haar te maken.’
Alleras zag de blik op Koppies gezicht. ‘Als hij geen koperstuk heeft voor een beker wijn, kan hij ook geen draak voor het meisje hebben.’
‘Inderdaad,’ zei Mollander. ‘Bovendien is er een man nodig om een vrouw te maken. Kom mee, Koppie. De ouwe Walgraaf wordt met zonsopgang zwakker en dan heeft hij jou nodig om hem naar het privaat te helpen.’
Als hij vandaag nog weet wie ik ben. Het kostte aartsmaester Walgraaf geen enkele moeite om de ene raaf van de andere te onderscheiden, maar met mensen lukte dat niet zo goed. Op sommige dagen scheen hij te denken dat Koppie iemand was die Cressen heette. ‘Nog niet,’ zei hij tegen zijn vrienden. ‘Ik blijf nog even.’ De dageraad gloorde nog niet, nog niet helemaal. De alchemist zou nog kunnen komen, en als hij kwam wilde Koppie hier zijn.
‘Wat je wilt,’ zei Armin. Alleras keek Koppie langdurig aan. Toen zwaaide hij zijn boog over een slanke schouder en volgde de anderen naar de brug. Mollander was zo dronken dat hij bij het lopen een hand op Roenes schouder moest leggen om niet te vallen. De Citadel was niet ver weg zoals de raaf vliegt, maar ze waren geen van allen raven en Oudstee was een ware doolhof van een stad, een en al bochtige steegjes en kruisingen en smalle hobbelstraatjes. ‘Voorzichtig,’ hoorde Koppie Armin zeggen terwijl de riviernevels het viertal opslokten, ‘het is een vochtige nacht en de klinkers zijn vast glad.’
