
De bemanning had al lang tevoren beschutting gezocht onder de dektenten en zelfs de stuurman hield op met werken toen de storm verhevigde. Ze waren er allemaal; Barlennan had de bulten onder het beschermende doek geteld toen hij het schip nog in zijn geheel kon zien. Er waren geen jagers op pad, want geen van de zeelieden had de waarschuwing van de Vlieger dat er een storm op komst was nodig gehad. De laatste tien dagen was niemand meer dan tien kilometer van het schip vandaan gegaan, en met het verminderde gewicht van hier was tien kilometer zo afgelegd.
Ze hadden natuurlijk genoeg voorraden; Barlennan was geen dwaas en hij had zijn best gedaan er ook geen aan te nemen. Maar toch, vers voedsel was prettig. Hij was benieuwd hoe lang deze storm ze opgesloten zou houden; dat vertelden de voortekenen niet, hoe betrouwbaar ze ook de komst van de storm hadden aangekondigd. Misschien wist de Vlieger het. In elk geval hoefde er aan het schip verder niets te worden gedaan; hij kon net zo goed eens gaan praten met het vreemde wezen. Er bekroop Barlennan nog telkens een gevoel van ongeloof als hij naar het toestel keek dat de Vlieger hem had gegeven, en hij moest zich er steeds weer van overtuigen dat net werkte.
